Ook lesbische moeder heeft alimentatieplicht voor de kinderen

Ook een duomoeder is onderhoudsplichtig  voor de gezamenlijk gekregen kinderen. De rechtbank Breda laat de wettelijke beperking tot alimentatieplicht alleen voor de ‘mannelijke levensgezel’ vallen, wegens strijd met het internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). In deze uitspraak (LJ BM7254) spreekt de rechter voor het eerst uit dat lesbische moeders na scheiding ook

euroOok een duomoeder is onderhoudsplichtig  voor de gezamenlijk gekregen kinderen. De rechtbank Breda laat de wettelijke beperking tot alimentatieplicht alleen voor de ‘mannelijke levensgezel’ vallen, wegens strijd met het internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).

In deze uitspraak (LJ BM7254) spreekt de rechter voor het eerst uit dat lesbische moeders na scheiding ook alimentatie moeten betalen. Volgens de Hoge Raad mogen burgers rechtstreeks een beroep op dit verdrag doen. In artikel 26 van dit verdrag wordt discriminatie verboden: Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet.

Een gescheiden duomoeder eiste op basis van dit verdrag dat de rechter daarom artikel 1: 394 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing liet. Daarin staat dat behalve de ‘verwekker’ van een kind ook ‘de man die als levensgezel van de vrouw ingestemd heeft met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad’ de kosten voor het kind moet betalen. Alimentatieplicht voor biologische verwekkers dus, de mannelijke bloedverwant. En voor mannen die ermee hebben ingestemd dat een andere man of een anonieme spermadonor bij hun vrouw een kind verwekte. Maar geen verplichtingen voor lesbische partners, de vrouwen die instemden met verwekking van een kind bij hun vrouw.

Dit lesbische stel heeft twee kinderen uit hun relatie. De eis luidt 250 euro per maand per kind. Waarom deze `X´en `Y` overigens procederen is niet helemaal duidelijk. De ex-partner die het huis uit is betaalt al een ouderbijdrage en verklaart daarmee ook door te willen gaan. Ook over de hoogte van het bedrag is geen onenigheid. Wellicht wilde het stel een principiële uitspraak uitlokken. Dat is in ieder geval gelukt.

De rechter constateert eerst dat de Hoge Raad rechtstreekse toepassing van het IVBPR toestaat bij de vaststelling van ‘burgerlijke rechten en plichten’. En dat er in art. 94 van de grondwet staat dat nationale wetten niet worden toegepast als ze in strijd zijn met verdragen die het Koninkrijk heeft ondertekend.

In overweging 3.7 vat de rechter daarop de ontwikkelingen in Nederland op het gebied van lesbisch ouderschap samen: steeds verder gelijktrekken van rechten en plichten voor homostellen en hun kinderen. “Het denken over het juridisch ouderschap heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld van een strikt op biologische verhoudingen gerichte rechtsfiguur tot een meeromvattende regeling waarin ook plaats is voor anderen dan de biologische ouders die bereid zijn het juridisch ouderschap te aanvaarden.” De rechter constateert dan dat het artikel uit het Burgerlijke wetboek het ook heeft over de ‘levensgezel’ die ‘ingestemd heeft’ met de verwekking. En trekt daaruit de conclusie dat er “geen objectieve en redelijke rechtvaardiging meer [is] om deze bescherming niet ten deel te laten vallen aan de minderjarige die is geboren uit een moeder die een vrouwelijke levensgezel heeft of had die met de daad van verwekking heeft ingestemd.”

Kortom, waar de wet het nog heeft over ‘de man die heeft ingestemd met een daad’ leest de rechter voortaan ook ‘de vrouw die heeft ingestemd met… ‘.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.