Jongens zijn gewoon niet geschikt voor school

Steeds wordt geroepen dat jongens het slecht doen op school. Het onderwijs zou feminiseren met juffen en meisjesopdrachten. Onzin, stelt Josette Götz.

Jongens doen het slecht op de middelbare school. Altijd als het daarover gaat, mag hoogleraar pedagogiek Louis Tavecchio uitleggen dat dit veroorzaakt wordt door de feminisering van het onderwijs en door de didactiek, die meer en meer gericht zou zijn op meisjes met hun orde, netheid en structuur (‘Jongens zijn de dupe van grote aantal vrouwelijke docenten’, NRC Handelsblad, 25 juni).

Maar daarmee wordt miskend dat meisjes, vooral in de puberteit, altijd al geschikter waren voor het onderwijs en dat zij dankzij de emancipatie een inhaalslag gemaakt hebben.

De verklaring voor het achterblijven van de jongens wordt door Tavecchio gezocht in het groeiend aantal vrouwen in het onderwijs. De juffen leggen de jongens meisjesnormen op: ze moeten gedisciplineerd zijn en stilzitten. Het voorbeeld van de bolletjes klei wordt er vaak bijgesleept: geef jongens en meisjes een blok klei. Meisjes beginnen asbakken en potjes te maken, jongens stoppen het in het sleutelgat en gooien het tegen het plafond. Juffen reageren onmiddellijk bestraffend op de jongens, meesters zouden de experimenteerdrift aanmoedigen.

Maar is dit nu echt wel zo?

Onderzoek laat zien dat juffen niet negatiever staan tegenover experimenteergedrag van jongens. Sterker nog, uit onderzoek van de psychologen Etaugh en Harlow bleek juist dat mannen voor de klas negatiever op jongens reageerden dan op meisjes en dat jongens zich bij meesters slechter gedroegen dan bij juffen.

De onderzoekers Timmerman en Van Essen constateren dat wij te maken hebben met een debat dat al sinds 1900 bestaat: sinds die tijd is 70 procent van de leerkrachten in de Verenigde Staten vrouw. Te veel vrouwen voor de klas zouden volgens Amerikaanse wetenschappers uit de jaren vijftig leiden tot gedrags- en identiteitsproblemen van jongens, doordat vrouwen anti-intellectueel en vooral non-gedisciplineerd lesgaven. Mannen stonden voor orde en discipline. Ironisch genoeg constateert Tavecchio in onze tijd juist dat jongens „de dupe zijn van te veel vrouwelijke docenten, gebrand als ze zijn op orde en nijverheid”. Vrouwen kunnen het nooit goed doen.

Diezelfde Timmerman en Van Essen constateerden door de jaren heen (1963-2002) geen verschil in prestaties tussen leerlingen met vrouwelijke docenten en leerlingen met mannelijke docenten.

Dan is er nog de kritiek op veranderingen in ons onderwijssysteem. Er bestaat een toenemende zelfwerkzaamheid met ‘meisjesopdrachten’, zoals verslagen maken en presentaties geven. Ook zou de nadruk op theorie een gevaar vormen voor jongens. Die zijn immers gebaat bij praktische opdrachten, meer experimenten en minder stilzitten.

Inderdaad, scholen zijn aan het veranderen. Steeds vaker zie je leerlingen rondlopen met schepnetjes, grondboringen doen en met geheimzinnige instrumenten metingen verrichten bij schoolgebouwen. Daarnaast zijn vakken als techniek en onderzoek & ontwerp in het leven geroepen. Aan experimenten geen gebrek.

Aan beweging ook niet. Meer dan ooit mogen leerlingen zich door het klaslokaal bewegen en lopen om de haverklap even naar de mediatheek. Zaten in bijvoorbeeld de jaren zeventig de jongens niet juist langer stil in klaslokalen?

Is het jongensprobleem dan eigenlijk wel een groeiend probleem? Diverse onderzoeken, waaronder die van de Ierse onderwijshoogleraar Gallagher, wijzen uit dat de jongens door de jaren heen niet slechter zijn gaan presteren op school – zij doen het zelfs iets beter – maar dat de meisjes de afgelopen decennia een enorme inhaalslag hebben gemaakt. De emancipatie heeft de barrières van het rollenpatroon weggenomen. Inmiddels doorlopen meisjes sneller de middelbare school en maken zij een iets groter gedeelte van de universitaire populatie uit.

Het verschil dat wij nu zien, is voor een groot deel te verklaren uit biologisch-culturele verschillen. Alleen al de testosteronspiegel leidt ertoe dat jongens beweeglijker zijn, minder planmatig te werk gaan en meer belust zijn op prikkels. Daarnaast bewegen ze zich liever in grotere groepen en zijn meer bezig met hiërarchie. De stoerste jongen bepaalt het gedrag van de groep. Al decennialang wordt ‘schoolconformistisch’ gedrag door leerlingen verbonden aan gebrek aan mannelijkheid. De slotsom is dat jongens van nature minder geschikt zijn voor school, in welke vorm dan ook. En dat is altijd al zo geweest.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het onderwijs met zijn armen over elkaar kan gaan zitten. Er zijn wel degelijk manieren om jongens aan het leren te krijgen. Uit onderzoeken blijkt dat jongens voor cijfers werken en voor persoonlijke aandacht. Ik heb het uitgeprobeerd bij jongens uit mijn mentorklas. Ik heb hen één voor één op een onbewaakt ogenblik bij me geroepen en gezegd dat ik voor het eerstvolgende leer-so’tje een tien verwachtte. Het regende tienen.

Ook zou je in onderwijsland iets moeten doen met die gevoeligheid voor de peergroup. Zo zijn jongens gevoeliger dan meisjes voor onderlinge competitie. Wedstrijdjes zullen bij de jongens meer succes boeken dan standaardlesjes.

Gelukkig hebben jongens naast deze achterstand ook een voordeel. Na school halen ze die achterstand dubbel en dwars in. Mannen bekleden nog steeds de betere posities in onze maatschappij.

Josette Götz-de Groot is docent Nederlands aan het Ashram College in Alphen aan den Rijn.