Duitse spurt laat Frankrijk verslagen en alleen achter

Duitsland heeft Frankrijk niet langer nodig om zich te bewijzen op het wereldtoneel. Althans, dat is wat het denkt, schrijft Ulrike Guérot.

Illustratie Cyprian Koscielniak
Illustratie Cyprian Koscielniak

Het is weer eens hommeles in de Duits-Franse betrekkingen. Maar zo erg is dat niet. De romantische voorstelling van de Duits-Franse tandem klopt niet, want het heeft eigenlijk altijd wel gerommeld in de afgelopen vijftig jaar, waarin Frankrijk en Duitsland om de Europese integratie hebben gestreden. Er werd geruzied over de interne markt, over de euro, over het Europese veiligheids- en defensiebeleid tussen de NAVO en een assertief Europa. Maar meestal werd er constructief geruzied en leidden de botsingen tot grote sprongen in het Europese integratieproces, zoals het Verdrag van Maastricht.

Nu lijkt het constitutieve machtsevenwicht van de tandem, die beroemde ‘symmetrie in de asymmetrie’, verstoord. De politieke dwerg Duitsland samen met de Franse nucleaire goliath, het economisch sterke Duitsland met het agrarisch-commerciële Frankrijk – ze vormden het ideale paar dat de Europese consensus altijd mogelijk maakte. Als Duitsland en Frankrijk het eenmaal eens waren, was er binnen die samenwerking ruimte voor andere landen. Dat is afgelopen: Duitsland is nu economisch en politiek sterk. Bijna te sterk.

Twintig jaar na de Duitse eenwording heeft Duitsland Frankrijk niet langer nodig om zich te bewijzen op het wereldtoneel. Of meent althans Frankrijk daarvoor niet langer nodig te hebben. De machtsverhouding is verschoven en wel ten gunste van Duitsland. De Fransen voelen dat en zijn nerveus en geïrriteerd. Zelden zijn de Fransen zo achter de Duitsers aangehold als tijdens de actuele eurocrisis en zelden hebben de Duitsers zo duidelijk laten merken dat zij het zijn die de toon zetten in Europa. Dat Nicolas Sarkozy de semantische discussie om de zogenaamde ‘Europese economische regering’ heeft gewonnen, is dan niet relevant. Angela Merkel heeft de term geaccepteerd en alles gaat verder toch zoals Duitsland het wil.

Decennialang hadden de Fransen drie economisch-politieke instrumenten waarmee ze hun economische beleid vormgaven en hun sociale consensus stimuleerden: inflatie, devaluatie en industrieel beleid. Ze zijn hun door de euro ontnomen. Voor Sarkozy is het uur van de waarheid aangebroken: Duitsland eist dat Frankrijk zich opnieuw openlijk bekent tot stabiliteit, bezuinigingsmaatregelen en structurele hervormingen.

Daar mag dan wel veel voor te zeggen zijn, maar het laat zich niet opleggen. Temeer daar er volgend jaar in Frankrijk verkiezingen zijn. Stel, Frankrijk krijgt het politiek niet voor elkaar omdat het niet zo ‘Duits’ kan zijn als velen zouden wensen? Uiteindelijk zou het eenzaam kunnen worden rond het sterke Duitsland. Feit is namelijk dat Frankrijk de brug vormt tussen het zuiden en het noorden van Europa. Duitsland schiet er niets mee op als die instort. Het is daarom ook aan Berlijn te beslissen welke schokbrekers worden gemonteerd om de asbreuk te voorkomen.

In Europa zal het de komende tien jaar om geo-economie gaan en niet langer om geostrategie. Ten tijde van de geostrategie hield Duitsland het oosten en westen bij elkaar, maar in deze geo-economische tijden zal Frankrijk het noorden en zuiden van Europa bij elkaar moeten houden. Dat lukt echter alleen als Berlijn dat ook nog steeds wil. Duitsland moet accepteren dat niet ieder Europees land zijn doorgaans historisch gegroeide economische en sociale inrichting kan afstemmen op het Duitse model. Een Europese economische consensus moet eerst rijpen, anders komt Europa in een lastig parket. Zowel Duitsland als Frankrijk zou het gevoel kunnen krijgen dat ze het politieke project van Europa tegen de eigen economische overtuiging in moet doorzetten. Op den duur zullen ze dat echter beide niet kunnen volhouden.

Dr. Ulrike Guérot is werkzaam bij de European Council on Foreign Relations.