De bakermat van Nederlands industrie

Hergebruik is dit weekend het thema van de Dag van de Architectuur. Is erfgoed nog betaalbaar? Maastricht buigt zich over de bakermat van Nederlands industrie.

Vanzelf ging het niet. Volgende week stemt de Maastrichtse gemeenteraad na jarenlange discussie waarschijnlijk in met herbestemming van de Timmerfabriek van Regout (later Sphinx) tot cultuurverzamelgebouw. Vooral de kosten zorgden voor twijfel. Bijna veertig miljoen euro, is dat niet erg veel?

De oppositie is nog niet overtuigd. Voor veel minder kunnen toekomstige gebruikers als het filmhuis Lumière en de Toneelgroep Maastricht op hun huidige plekken blijven. De miljoenen kunnen dan worden besteed aan zorg en armoedebestrijding. Maar wethouder Jacques Costongs ziet ziet herbestemming van de Timmerfabriek als een strategische keuze die bijdraagt aan het vestigingsklimaat van de stad, waarvan uiteindelijk alle inwoners profiteren. „Door zoveel instellingen bij elkaar te zetten, ontstaan crossover-effecten. Bovendien komt er in het complex een middelgrote zaal, die heeft de stad nog niet.”

De Timmerfabriek maakt deel uit van een veel groter gebied aan de noordkant van de Maastrichtse binnenstad. Petrus Regout, handelaar in aardewerk, glas en kristal, zag door de Belgische Opstand na 1830 zijn aanvoer stokken en nam de productie maar zelf ter hand. Het was het begin van een waar imperium en feitelijk ook het startschot voor de industrialisatie van Nederland.

Tot voor kort werd in de verouderde bedrijfspanden gewoon gewerkt. Dat stopte toen de gemeente sanitairfabrikant Sphinx uitkocht voor 45 miljoen euro. Dat geld werd besteed aan de vestiging op een modern bedrijventerrein aan de rand van Maastricht en een sociaal plan voor de werknemers die door automatisering overbodig werden. Vorig jaar trok moederbedrijf Sanitech alsnog de stekker uit het nieuwe bedrijf. Een rendabele bedrijfsvoering bleek onmogelijk: de hele verhuizing zou gebaseerd zijn op rekenfouten.

’t Groet febrik (de grote fabriek), de acht hectare terrein die de gemeente overnam, herinnert nu dus aan een afgesloten hoofdstuk. „De waarde van de gebleven gebouwen zit hem in het geheel”, zegt Wim Mes, voorzitter van de Werkgroep Industrieel Erfgoed Limburg. „Het is een staalkaart van fabrieksarchitectuur. Van het alleroudste is weinig bewaard behalve enkele gewelfkelders. Verder is alles terug te zien: uit België overgewaaide bouwstijlen uit 1875-1885, de eerste toepassingen van beton begin twintigste eeuw, de overschakeling van stoom en gas op stroom in de elektriciteitscentrale en de functionalistische architectuur van het Eiffelgebouw uit 1929.”

Met name dat 33 meter hoge en bijna tweehonderd meter lange gebouw roept in Maastricht, verwend met veel aaibaardere monumenten, gemengde reacties op. In de regionale krant noemen inwoners het vaak als lelijkste plek van de stad. Dat heeft wellicht ook te maken met de slechte naam van werkgever Regout. Misstanden in de Maastrichtse fabrieken leidden mede tot de nationale regelgeving op het gebied van kinderarbeid. Wethouder Costongs vertelt hoe ook in PvdA-gelederen de weerstand verdween door historisch onderzoek. „Eerst mocht er niets vernoemd worden naar Regout, zes jaar geleden een steegje, nu mag het ook iets groters worden.”

Het nieuwe cultuurverzamelgebouw vormt met de rest van het Sphinx-complex het Belvédère-project, stadsvernieuwing van 125 hectare. Een van de drie private partijen, ING Real Estate, trok zich daaruit onlangs terug. Maastricht vertrouwt desondanks op een goede afloop. Costongs: „Gezien de ligging zo dichtbij het centrum moet het lukken.” En als het langer duurt, kan het publiek beter kennis maken met het complex. Zo zijn er plannen om in het Eiffelgebouw voor een tijdelijke expositieruimte van de collectie van museum FRAC Nord Pas de Calais, dat wordt verbouwd.

„Voor een definitieve bestemming is een combinatie van wonen en winkels het makkelijkst”, zegt Guid Bartholmée, directeur van de wijkontwikkelingsmaatschappij Belvédère. „Maar dat is te simpel voor een markant pand als De Eiffel.” Hij hoopt op een culturele bestemming, ook kan een nieuwe tramlijn door het gebouw rijden.

Maar een klus wordt het sowieso. Niets is standaard in de oude fabrieksgebouwen, en hergebruik vraagt ingrepen die deskundigen in monumentenzorg pijn doen. Bartholomée: „In de Timmerfabriek zitten prachtige, ijzeren palen, die geven het gebouw sfeer. Maar waar het filmhuis moet komen, ontnemen ze het zicht op het doek. Er moeten er vier uit, overleg daarover kost zo een half jaar. Want doe je het onzorgvuldig dan help je het hele gebouw om zeep.”