Robin en Robin

Ego: „Mag ik nog één keertje over tennis schrijven?”

Alter ego: „Nee zeg, hou op over dat vervelende spelletje. Plok-plok-plok. Irritant gedoe. Ik heb wel eens in de buurt van een tennisbaan gewoond en ik werd er gek van. En dan ook nog die verwende uitroepjes erbij. ‘Mijn backhand loopt vandaag niet’. ‘Ik probeerde een slice-service’. Gatverdamme. En het erge is: vroeger werd het alleen door een rechtse elite gespeeld, maar nu ook door een linkse elite.”

Ego: „Allang niet meer waar. Iedereen kan tennissen als hij dat wil. Maar daar wilde ik het helemaal niet over hebben…Zag jij gisteren Robin Haase op Wimbledon tegen Nadal?”

Alter ego: „Ik heb er iets van gezien toen ik naar de voorbeschouwing van Nederland-Kameroen zapte. Hoezo?”

Ego: „Vond je het niet geweldig zoals die jongen speelde?”

Alter ego: „Nadal bedoel je?”

Ego: „Nee, Haase natuurlijk.”

Alter ego: „Ik dacht dat Nadal gewonnen had.”

Ego: „Maar Haase gaf hem toch schitterend partij? Dit was de nummer 150 van de wereld tegen de onbetwiste nummer 1, een bijna onverslaanbare speler. En dan moet je ook nog bedenken dat Haase een jaar uit de roulatie is geweest met een knieblessure. Maar hij liet zich niet imponeren door de reputatie van Nadal, als een ridder zonder vrees of blaam trok hij ten strijde. Soms sloeg-ie vier aces op rij. En Nadal kreeg er niet eens zijn racket tegen. Haase won de eerste set en…”

Alter ego: „Toen verloor-ie de tweede.”

Ego: „Maar hij kwam geweldig terug. Hij won de derde set met 6-3. Hij speelde als een kampioen. Het publiek stond op de banken. De BBC-commentator riep verbijsterd: ‘Is this really happening? Could Nadal lose?’”

Alter ego: „Dat kon Nadal dus ook niet. Hij won gewoon die laatste twee setjes met de vingers in zijn neus. Hij was een beetje laat wakker geworden uit zijn siësta.”

Ego: „Ontzettend flauw. Zó mag je de prestatie van Haase niet bagatelliseren. Die jongen speelt tegen een van de grootste kampioenen die de tennissport ooit heeft gehad. Hij vecht als een leeuw en dwingt hem tot een uiterste krachtsinspanning en dan zeg jij…”

Alter ego: „Ridder, leeuw…ja, sorry, maar het gaat toch om het resultaat, of niet? Met schoonheidsprijsjes komen we geen stap verder. Als Haase morgen in Nederland over straat loopt, roept er niemand naar hem: ‘Fantastisch! Jij versloeg bijna Nadal!’ We hebben het over topsport, ja? Het gaat om de knikkers, niet om het spel.”

Ego (zucht): „Dan zul jij gisteravond dus wel weer heel blij zijn geweest met je Nederlands elftal.”

Alter ego (trots): „Ja, mág ik? Die jongens wónnen tenminste. Geen flauwekul over twee setjes winnen en toch de pot verliezen, nee, efficiënt spelen en winnen. En wie scoorde de eerste? Robin van Persie, die óók een hele poos geblesseerd is geweest. Zo doen kampioenen dat. ‘Oranje’ was Nadal en Kameroen was Haase.”

Ego: „Maar ik heb veel geboeider naar Haase gekeken dan naar jouw ‘Oranje’ met dat stomvervelende getik in de breedte. Wat spelen ze toch matig en wat kan voetbal saai zijn!”

Alter ego: „Val jij maar rustig in slaap terwijl wij wereldkampioen worden. Als we straks met de kampioenen door de Amsterdamse grachten varen, zal ik vragen of mijn Robin even naar je wil zwaaien.”