'Murakami wordt steeds Japanser'

Jacques Westerhoven vertaalde Murakami. Hoe leest een Japanner en welke aanpassingen zijn nodig voor Nederlanders?

Een van de grootste kwaliteiten van Haruki Murakami is zijn stijl. Murakami is grappig, subtiel en toegankelijk. Door zijn transparante manier van schrijven, waarin de taal nauwelijks barrières opwerpt tussen tekst en lezer, worden verschijnselen als pratende schapen en mini-mensen bijna alledaags.

Veel boeken van Murakami zijn vertaald door Jacques Westerhoven. Aan Westerhoven de taak om de eigenaardigheden van het Japans, een taal met ‘beleefdheidsniveaus’ en een afkeer van voornaamwoorden, om te zetten in toepasselijk Nederlands.

Jacques Westerhoven (1947), in het dagelijks leven hoogleraar Amerikaanse letterkunde aan de Universiteit van Hirosaki, is nu bezig met het vertalen van het laatste, derde deel van 1q84, dat volgend jaar in Nederland zal uitkomen. Per telefoon vertelt hij over de rol van ironie in het Japans, over de ‘stem’ van de auteur en over de vraag hoe ‘Japans’ het werk van Murakami eigenlijk is.

Wie lees ik in de Nederlandse versie van ‘1q84’: Murakami of Westerhoven?

„Bij een goede vertaling lees je beiden, denk ik. Sommige dingen laten zich niet rechtstreeks vertalen, dus daarvoor zoek ik naar equivalenten die recht doen aan het origineel. In 1q84 is bijvoorbeeld sprake van een ‘vluchthuis’, waar jonge vrouwen die slachtoffer zijn van seksueel geweld, worden opgevangen. Een redacteur van uitgeverij Atlas stelde voor dat ik daarvoor ‘Blijf-van-mijn-lijfhuis’ zou gebruiken. Maar daar heb ik me tegen verzet. Blijf-van-mijn-lijf heeft een typisch Nederlandse bijklank. Bovendien gaat het in 1q84 om vrouwen die zich bibberend van angst verstoppen achter gesloten gordijnen. Dan klinkt ‘Blijf van mijn lijf’ te assertief.”

Welke aspecten van ‘1q84’ stelde u bij het vertalen voor problemen?

„Dubbele ontkenningen kan ik moeilijk letterlijk vertalen. Want in het Nederlands hebben ze een andere betekenis. Dan zoek ik andere woorden om die subtiele ironie weer te geven. En soms grijp ik in in de brontekst. Murakami weidt graag uit over de Japanse geschiedenis, zoals over de misdragingen van Japanse soldaten in WO II, in Mantsjoerije. Voor Japanners is dat bekend, zij gaan er nog eens lekker voor te zitten. Maar voor Nederlanders ligt dat anders. Zij hebben voetnoten nodig, ter verduidelijking. Om te voorkomen dat het taai wordt, maak ik hier de zinnen langer, en zo vloeiend mogelijk om de lezer snel naar de volgende alinea te loodsen.”

Wat vond u opvallend aan dit boek?

„Dit is naar mijn idee de eerste roman waarin Murakami de symboliek goed heeft uitgewerkt. Die zit hem in de tegenstellingen tussen groot en klein: in het jaar 1q84 hangen er twee manen in de lucht, een kleine en een grote; hoofdpersoon Aomame heeft een kleine en een grotere borst; Big Brother tegenover de ‘Little People’; er zijn twee sektes, Voorhoede en Dageraad, de een groot, de andere klein. Dit zegt iets over de manier waarop Murakami de spanning heeft opgebouwd: er is steeds sprake van een grote figuur, met zijn kleinere tegenhanger wachtend in de coulissen. Dat de symboliek nu klopt verrast me, omdat Murakami ooit tegen me zei dat hij zonder vooropgezet plan met schrijven begint. Hij wacht af waar hij uitkomt. Dat verklaart ook waarom veel van zijn boeken een zwak eind hebben. Dan heeft hij zich in de hoek geschreven en weet niet meer hoe hij daar uit moet komen.”

Hoe begon u aan deze vertaling?

„Om te beginnen zoek ik naar de toon van ‘vertellende stem’. Murakami is een bijzonder serieuze man, maar zijn vertelstem heeft ook in de neutrale stand een licht ironische klank. Dat zie ik aan de woordkeus, aan de herhalingen – hoe Tengo zijn maîtresse steevast ‘mijn oudere vriendin’ noemt, bijvoorbeeld. De grondtoon van de vertaling zou ik ‘onderkoeld ironisch’ noemen.”

Toch is ironie geen gangbare vorm van humor, voor Japanners.

„Inderdaad, Japanners zijn geneigd om alles letterlijk te nemen, daardoor herkennen ze ironie niet. In de Japanse literatuur komt het stijlmiddel dan ook weinig voor; de enige andere auteur die ik kan bedenken is Junichiro Tanizaki, en bij hem leidde het doorgaans tot veel misverstanden. Waarom het bij Murakami wél werkt... Misschien omdat de lezers het van hem verwachten, ze zijn er op bedacht.”

Dit boek was in Japan een mega-succes, met drie miljoen verkochte exemplaren. Wat vinden Japanners mooi aan het werk van Murakami?

„Ik geloof dat Japanners dit boek vooral waarderen om de onderwerpen die het aansnijdt. In Japan is de dreiging van terroristisch geweld een belangrijk thema, vooral de dreiging van religieuze groeperingen. Dat speelt sinds 1995, toen de sekte Aum Shinrikyo een aanslag pleegde met gifgas, in de metro van Tokyo. Ook huiselijk geweld, van mannen jegens hun vrouw, is een bekend thema in de Japanse maatschappij. Daar wordt op tv en in de kranten de laatste jaren veel over gepraat.”

Hoe Japans is Murakami als auteur?

„Murakami wordt steeds Japanser. Dat kun je zien aan het taalgebruik. Vroeger gebruikte hij veel persoonlijke voornaamwoorden (als ‘ik’ en ‘hij’), die de Japanner doorgaans weglaat. Hij imiteerde zijn Engelse voorbeelden, en gebruikte dus die voornaamwoorden. Dat is nu voorbij, er staan nauwelijks nog voornaamwoorden in. In 1q84 komen ook verwijzingen voor naar de klassieke Japanse letterkunde, zoals het oude epos Verhalen van de Taira en de schrijver Ryunosuke Akutagawa.

In Nederland moeten we nog een jaar wachten voordat we de ontknoping van ‘1q84’ kennen. Kunt u vast zeggen of Murakami dit keer wél voor een geslaagd einde heeft gezorgd?

,,Uhhm, mm, tja.”

Nou?

,,Dat vertel ik niet.” Hij lacht. ,,Waarom niet? Gewoon, dat hou ik nog even voor me.”