Een gastvrij mens

Volkomen onverwacht kwam Jack in ons leven. Het gebeurde op een zonnige middag in het centrum van de middelgrote provinciestad A. Mijn vrouw stond een gerestaureerd gebouw te fotograferen, terwijl Jack kwam langsgefietst. Hij remde meteen toen hij merkte dat hij het zicht van de ambitieuze fotografe dreigde te blokkeren.

„Mooi gebouw, hè”, zei hij terwijl hij afstapte. Hij wees naar een ander, laag pand, even verderop in de rij. „Dat is ook leuk, een fitnesscentrum. Daar werk ik. Wilt u het eens zien? Misschien krijgt u wel zin om lid te worden.”

„Sorry, wij komen uit Amsterdam”, zei mijn vrouw.

„Geeft niks”, zei hij welgemoed, „het is een prachtig centrum, ik laat het u graag zien.”

En hij liep, fiets aan de hand, naast ons mee. Ik had er niet zo erg veel zin in, maar het is altijd lastig om ‘nee’ te zeggen tegen iemand die geen baatzucht aan de dag legt.

Jack was de gastvrijheid zelve. Hij liet ons in de hal plaatsnemen in royale leren fauteuils en vroeg wat we wilden drinken. „Vandaag heb ik dienst aan de bar, morgen doe ik weer iets anders”, zei hij. Uit een kast haalde hij een fraai uitgevoerd fotoboek dat hij op het tafeltje voor ons neerlegde. „Van het stadscentrum. Schitterend!”

Jack straalde bij alles wat hij zei. Je hebt van die mensen. Ze staan ’s morgens opgeruimd op, gaan opgeruimd in een volle forensentrein zitten en keren ’s avonds doodmoe, maar nog altijd opgeruimd huiswaarts. Ik benijd ze. Hij leek me niet ouder dan een jaar of twintig, een donkerharige, stevig gebouwde man.

„Werk je hier graag?” vroeg ik.

„Nou en of. Het is zo’n goed bedrijf. We zitten hier nog niet zo lang, maar het draait al prima.”

Trots ging hij ons voor naar de ingewanden van het centrum. Het was er nog niet erg druk, slechts enkele mannen en vrouwen wijdden zich op gecompliceerde toestellen aan de monotone lichaamsarbeid waarmee ze de dood wilden bezweren. Inderdaad, fitnesscentra hebben mij nu eenmaal nooit kunnen bekoren. Tegenover Jack durfde ik dit uiteraard niet te bekennen. Blij liet hij ons een boksring zien en een ruimte waarin dj’s muziek produceerden waarop je je oefeningen kon doen.

„Ik heb ook een eigen kantoortje”, zei hij afsluitend.

Terug in de hal zei hij plotseling: „Ik blijf hier niet altijd, hoor, ik wil ook wel eens iets anders.”

Hij begon te vertellen over tegenvallende studieresultaten. Voor het eerst viel er een schaduw over zijn woorden. Na het vmbo was hij naar een beroepsopleiding in Amsterdam gegaan. Hij had er zich ontheemd gevoeld. In zijn klas was hij tussen hoofdzakelijk Marokkaanse jongens een outsider geweest. „Ik heb niets tegen ze, maar we hadden gewoon weinig contact.” Op zijn kamertje in Amsterdam-West was hij ook niet vrolijker geworden. „Als ik naar de snackbar op de hoek liep, was ik best wel eens bang, al is me nooit iets overkomen.”

„Wat zou je nou het liefst willen doen?” vroeg ik.

„De politiek in”, zei hij zonder aarzelen.

Hij noemde de naam van een linkse politicus voor wie hij al wat assistentiewerk had verricht. Ik had moeite om mijn verbazing te onderdrukken. Deze vriendelijke, argeloze, naïeve man in de politiek? Jack was zo goed van vertrouwen dat hij zelfs de politiek vertrouwde. Als bezorgde ouders namen we afscheid van hem.