Dartelen boven omgekeerd soepbord

Op een van de laatste restjes Nederlands hoogveen doet het veenhooibeestje het verrassend goed.

Het veenhooibeestje is een beschermde vlindersoort, die voorkomt op de rode lijst van (bedreigde) diersoorten.
Het veenhooibeestje is een beschermde vlindersoort, die voorkomt op de rode lijst van (bedreigde) diersoorten.

Het gaat al jaren slecht met de vlinders in Nederland. Toch wordt af en toe een succesje geboekt. Zoals in het Fochteloërveen, het natuurgebied op de grens van Friesland en Drenthe. Hier is tegen alle Europese trends in het veenhooibeestje in aantal gestegen.

Het veenhooibeestje is een favoriete vlindersoort van Albert Vliegenthart van de Vlinderstichting. „Ik ben een fan”, zegt hij tijdens een wandeling door het hoogveen. Bij tientallen zie je de oranjebruine vlinders hier fladderen. „Ze dartelen zo mooi over de planten, ongeveer zoals je in tekenfilms voor kinderen ziet.”

Het aantal getelde veenhooibeestjes is de afgelopen tien jaar gestegen van enkele tientallen tot ongeveer duizend. Hoe dat komt, valt moeilijk vast te stellen. Maar boswachter Rombout Bennema vermoedt dat het veel te maken heeft met de wijze waarop hij namens Vereniging Natuurmonumenten het natuurgebied beheert. Niet alleen bestrijdt een uitgekiende waterhuishouding de verdroging van dit hoogveengebied, maar ook gaat hij bij het onder water zetten van delen van het hoogveen heel geleidelijk te werk.

Bennema: „Het Fochteloërveen is een soort omgekeerd soepbord. Het gebied is afhankelijk van regenwater. Dat stroomt snel af naar de lage delen hieromheen. Om water vast te houden, hebben we twaalf kilometer damwand geslagen en veel stuwtjes aangelegd. De Vlinderstichting wees ons erop dat we met het onder water zetten van droge gebieden voorzichtig te werk moesten gaan.” Vliegenthart: „Als je het waterpeil ineens met twintig centimeter verhoogt, verdrinken veel planten en dieren.” Bennema: „We doen dat dus heel geleidelijk. En dat is goed voor het veenhooibeestje.”

Van alle hoogveen is in Nederland nog 2 procent over. Vele planten en dieren die typerend zijn voor hoogveen, zijn in het Fochteloërveen nog te vinden. Er zijn roodborsttapuiten en broedende kraanvogels. Er zijn ringslangen, adders en gladde slangen. Die werden tot enkele jaren geleden nog massaal doodgereden op een sluiproute voor automobilisten, maar kunnen nu in faunatunnels onder de weg door kruipen. Veertig van de ruim zeventig Nederlandse libellensoorten huizen hier. En er is natuurlijk veenmos, het plantje dat het hoogveen vormt, en het eenarig wollegras, de waardplant voor het veenhooibeestje.

Een mooie overwinning van de biodiversiteit. Maar wat recreanten het meest waarderen, zeggen de boswachters, zijn de ruimte, de rust en de gave horizon. Vrijwel nergens is vanuit het midden van het gebied een spoor van de mens te ontwaren. Behalve in de verte: het politiekantoor in Assen. „Ik begrijp niet dat ze dat gebouw zo hoog moesten maken”, verzucht Alje Zandt van Natuurmonumenten. „Er is in Assen toch ruimte genoeg om laag te bouwen?”