De leegte van Loving County

De Texaanse provincie Loving County heeft duizenden olievelden en maar tachtig bewoners. Op pad met de sheriff door verdwijnend Amerika. ‘Ze noemen ons ook wel Klein Koeweit.’

In Mentone zijn ze geen bezoek gewend. Het oord (18 inwoners) ligt uit de route, in het zuidwestelijke puntje van Texas, waar mensen eigenlijk niet meer nodig zijn. De olie wordt er volautomatisch uit de grond gehaald. Het water is er te schaars en te zout om nog vee te houden. Mentone heeft zijn tijd gehad.

De rit naar Mentone gaat over ellenlange wegen zonder tegenliggers. Een van de laatste zenders die de autoradio opvangt is ‘KIKZ 1250 AM – Real Country’. Liedjes van Tammy Whynette en Willie Nelson worden er afgewisseld met boeren die elkaar tweedehands spullen verkopen. Afpingelen als tijdverdrijf, live op de radio.

„Twee varkens voor honderd.”

„Nah.”

„Dan doe ik er mijn oude wasmachine bij.”

De aardoppervlakte wordt rood. De lucht is strak blauw, het landschap vlak en amper nog bebouwd. Tractoren doen onbemand hun werk. Ja-knikkers doemen op. Het groene bord van Loving County, de provincie waarvan Mentone de hoofdstad is, staat bijna terloops in de berm. En eindelijk is daar – negen uur rijden van Houston, zeven uur van Austin, twee van Odessa – downtown Mentone.

Het oudijzermannetje is er al jaren mee opgehouden, maar zijn handel staat er nog: een paar vierkante kilometer roest is het eerste beeld dat Mentone te bieden heeft. Er is een benzinestation, een postkantoor, een gerechtsgebouw. Van het café is alleen een karkas over. Zelfs in de lente is het hier al verzengend heet – ’s zomers wordt het 50 graden. Soms loopt een mens op straat. Een bordje waarschuwt tegen slangen. Om de paar uur passeert een auto. Dat is Mentone.

Mentone is geen uitzondering in dit deel van Amerika, een paar honderd kilometer van de grens met Mexico. Het omliggende Loving County bestrijkt 40 procent van de aardoppervlakte van Nederland. Er wonen tachtig mensen. Loving County is de dunst bevolkte provincie van de VS. En een van de rijkste – maar dat is een ander verhaal.

Het gezicht van Loving County is de sheriff. Billy Burt Hopper (73) ontvangt het onverwachte bezoek met wantrouwende oogopslag. Hij heeft geen hekel aan bezoek. Dat wil hij graag gezegd hebben. Maar de mensen zijn hier kopschuw, vertelt hij. Ze wonen in Loving County omdat ze op zichzelf willen zijn. Ze hebben geen zin in vragen. Geen zin in stress en stadse manieren. En de sheriff respecteert dat. Dus het spijt hem zeer: daar is de deur.

Hij gaat het bezoek voor, zijn buik valt over zijn holster, en voor de beleefdheid vraagt Billy Burt Hopper waar de buitenlandse verslaggever eigenlijk vandaan komt.

Hoort hij dat goed?

„O man! I love Yab Yum!”

Hij zet zijn bril af – jarenzeventigmontuur, type hangwang. Hij trekt zijn broek op. Hij plukt aan zijn sheriffster.

„Kom terug”, zegt hij. „Wij moeten praten.”

Hij draait de deur van zijn kantoortje op slot en gaat achter zijn bureau zitten. Aan de muur een kaart waarop alle tachtig inwoners van Loving County met knopspelden zijn aangemerkt. Ranchers, olieboeren, een oud-militair – veel alleenstaande mannen. Naast de kaart foto’s van zijn helden. John McCain en Sarah Palin. Jon Cornyn, een conservatief die zich Big Bad Jon noemt. George W. Bush met open raam achter het stuur. George W. Bush op het honkbalveld. George W. Bush op een staatsieportret met Laura Bush. „Ik heb ze allemaal ontmoet”, zegt Billy Burt Hopper.

Mensen denken vaak, smaalt hij, dat hij zijn hele leven in Mentone heeft rondgehangen. Natuurlijk niet. Hij zag begin jaren vijftig al dat de leegloop van deze stad niet tegen te houden was. De oliemensen gingen in Odessa of Midland wonen, daar had je restaurants en een bioscoop. De cowboys zagen hun vee uitsterven. Billy Burt Hopper was de laatste leerling van de lokale high school. In 1952, hij was 14, zei de directeur: het spijt me Billy, de school gaat op slot.

Zijn vader, die ook in de olie zat, bleef in Mentone – de ‘Boppers’ zijn hier al sinds 1906, toen Mentone nog een kolonie van criminelen was. Billy Burt maakte high school af in een dorpje veertig kilometer verderop, en verliet Loving County pas toen hij werd aangenomen op een technische universiteit. Hij werd nucleair ingenieur in de luchtmacht, waar hij controleerde of de kernkoppen op de B52’s nog in orde waren. „Ik aaide die jongens elke dag.” Daarna stuurden ze hem naar Tucson, Arizona, waar hij in de eenheid zat die elke seconde kon besluiten dat er een ballistische raket op de Russen afgevuurd zou worden.

Het gebeurde alleen nooit. Billy Burt Hopper verveelde zich, hij stapte over op de olie-industrie. Hij kwam bij een divisie van het in Texas almachtige Halliburton. Het bedrijf stuurde hem de wijde wereld in.

Afrikaners

Hij woonde overal – Bahrein, Madrid, Rhodesië, Londen, Jakarta. De apartheidsjaren in Johannesburg vindt hij nog steeds de beste tijd van zijn leven. Een voorbeeld voor Loving County. „De dingen die ze over dat land vertelden waren niet waar.” Johannesburg was „schoon en levendig en spannend”. Apartheid? „De zwarten hadden allemaal werk.” Het probleem was eerder dat „de Afrikaners” niet meer wilden vechten voor hun eigen land. „De blanken hadden het nooit weg moeten geven.”

Eind jaren zestig kwam hij voor het eerst in Amsterdam – hij zou ontelbare malen terugkeren. Onderhandelen in de olie, legt hij uit, is een ritueel. Iedereen kent elkaars werkwijze: de tarieven, de trucs, de bluf. Dus als hij per se wilde dat „de jongens” van Shell of Exxon of BP zijn bod namen, moest hij ze een extraatje aanbieden.

En zo gebeurde het dat een Nederlander van Koninklijke Shell Billy Burt Hopper, jonge zakenman uit het verre Mentone, op een dag attendeerde op het bestaan van Yab Yum. Hij wist niet wat hij hoorde. Hij wist daarna niet wat hij zag. Hij heeft het allemaal onthouden. Hij wil het allemaal vertellen.

„Maar weet je”, fluistert hij als hij tot rust is gekomen, „dit is natuurlijk geen verhaal voor de mensen hier in Mentone.” We zijn in zuidelijk Texas. Land van God en cowboys en strakke conservatieve normen. „Ze zouden het me nooit vergeven.”

Pas sinds de jaren negentig is hij terug in Mentone. Halliburton had hem niet meer nodig, hij wist zich eigenlijk geen raad. Zijn eerste huwelijk was op de klippen gelopen door al die reizen. Zijn tweede huwelijk was een lachertje. Hij trouwde haar in Bahrein, ze vertrok na dertig dagen. Sinds 1971 was hij alleen. Mentone was alles wat hij had.

Hij reed ernaartoe, hij had er nog familie, en de toenmalige sheriff zei: Billy, ik maak je mijn deputy. Het was wennen. God wat was dat wennen. Langzaam leven. Geen vliegtuigen, geen vertier, dagen waarin de zonsondergang de enige gebeurtenis van betekenis was.

Hij is nu weer geaard, al is sheriff zijn in Loving County minder simpel dan het misschien lijkt. Hij heeft een wankele basis. Vijf jaar geleden, zegt Billy Burt Hopper, toen hij voor het eerst werd gekozen, was er een tweede ronde nodig. De eerste eindigde onbeslist: 47 om 47 stemmen.

Vandaar dat Billy Burt Hopper een verzoek heeft. „Oké”, zegt hij, „ik zal je helpen, ik zal je bij mensen introduceren. Maar kunnen we afspreken dat je met niemand begint over my Amsterdam experience?”

Handvuurwapens

Billy Burt Hopper heeft een AK47 in zijn truck staan. In zijn dashboardkastje liggen twee handvuurwapens, in zijn holster zit er nog een. Wapens horen hier bij het leven: in Loving County hoor je ze voortdurend afgaan, droge knallen, meestal drie achter elkaar.

„It’s the damn rattle snakes”, zegt de sheriff als hij in zijn truck stapt. De slangen rukken op door de droogte en de leegstaande huizen: laatst lag er zelfs eentje voor het postkantoor in downtown. Zodoende heeft iedereen in Loving County zijn wapen de hele dag doorgeladen.

Hij zet de raampjes open. Billy Burt Hopper houdt van doorrijden. De boerderijen staan hier kilometers van elkaar. De meeste staan leeg. Een geur van rottend afval is meestal een goed teken: dan is er een bewoonde boerderij in de buurt.

Onze huisbezoeken verlopen in eerste instantie zoals de sheriff vreesde. Een oudere boer zegt geen woord als het bezoek aanklopt: als we niet meteen aanstalten maken te vertrekken legt hij een hand op zijn holster. Een stoere kerel met een zenuwtik denkt niet dat God het goed zou vinden als hij met wildvreemden in gesprek gaat: hij trekt de deur van zijn houten woninkje dicht en laat rock van Aerosmith door zijn huis galmen – Love in an Elevator. Een jonge militair die bij een vriend logeert, net terug van een buitenlandse missie, lacht alleen maar: „Misschien volgend jaar.”

Billy Burt Hopper wil geen kwaad woord over deze mensen kwijt. „Het zijn mijn kiezers, begrijp je?” Maar wie een tijdje rondhangt in Loving County leert dat de locals de zonderlingen in drie categorieën indelen. Er zijn de goudzoekers: eenlingen die jarenlang rondscharrelen in de hoop dat ze ooit dat ene olieveld vinden waarmee ze – bonanza! – op slag rijk zijn. Er zijn de homo’s die nooit homo hebben durven zijn. En er zijn de gevluchte gedetineerden.

Maar de meeste mensen in Loving County zijn zoals Alan Sparks (53), die zich door de sheriff laat overreden het buitenlandse volk binnen te laten. Hij woont in een kolossale boerderij op Leatherwood Lane – een keuken vol verse groenten, dekens voor de ramen tegen de zon, een huiskamer waar nooit iemand komt. Advocaten „uit de stad” betalen hem om hier te wonen. Geboerd wordt er allang niet meer, te weinig regen, maar ze hebben iemand nodig die toezicht houdt op het zoeken naar nieuwe oliebronnen.

Hij doet dit al 19 jaar. Zijn vrouw werkt als verpleegkundige in Odessa, twee uur rijden hiervandaan, en komt de meeste weekends even langs. Zijn kinderen groeiden bij hem op. Zij hebben geen belangstelling meer voor „dat rattenhol”, zoals ze Mentone volgens hun vader noemen.

Zelf is Alan Sparks volmaakt gelukkig in deze wereld zonder supermarkt, zonder bank, zonder arts, zonder begraafplaats. „I just don’t do good with people”, zegt hij verontschuldigend.

Zijn vader zag een student in hem. Hij hield het nog geen drie maanden in de stad vol. Alan Sparks wilde met koeien in de open velden van West-Texas zijn. Het werd zijn leven. Toen er in Texas geen werk meer was vluchtte hij naar Virginia, duizenden kilometers verderop. Toen er ook daar geen werk meer voor hem was, stroopte hij Texas een jaar af op zoek naar een baantje op een boerderij. Mentone was zijn laatste poging, hij had het eigenlijk al opgegeven.

Zijn dagen beginnen om zes uur. Om half acht is hij de eerste bij het postkantoor, kijken of er post is. Hij rijdt door Mentone, drinkt koffie bij de sheriff, schiet een slang of twee, en bezoekt de jongens van het olieonderzoek. ’s Avonds, hij wijst naar een afgesloten deur bij de keuken, werkt hij aan zijn wapens.

„Jahaa”, zegt de sheriff. „Alan is onze wapensmid.”

Hij loopt naar zijn werkruimte en opent een kluis, alsof hij een schat openbaart. „Dit wil de regering dus van ons afpakken”, zegt hij. Honderden vuurwapens. Jachtgeweren, glimmende pistolen, een Winchester uit 1873 die hij vasthoudt als was het een baby. En ontelbaar veel six shooters – het wapen van Texaanse prijsschieters uit de dagen van het Wilde Westen.

„Dit zijn mijn spaarcenten”, zegt Alan Sparks. Als hij overlijdt kunnen zijn kinderen ze verkopen, het is zijn erfenis. Geld op een bank zetten heeft hij nooit vertrouwd. En trouwens: Mentone heeft geen bank.

Maar de wapens zijn meer dan een investering. Ze zijn een laatste houvast. President Obama heeft vele malen tegengesproken dat hij het vrije wapenbezit in de VS wil inperken. Mooie praatjes, zeggen hij en de sheriff. Zij weten wel beter.

Complottheorieën van de wapenlobby hebben gretig aftrek bij de mannen gevonden. Zo vertelt Billy Burt Hopper met stelligheid dat afgelopen voorjaar in Brussel en Den Haag door de VN een plan is gesmeed dat het particulier wapenbezit wereldwijd zal verbieden. De regering-Obama heeft meegetekend. „Stiekem natuurlijk.”

Zoals Zuid-Afrika in verkeerde handen kwam omdat de Afrikaners hun land niet verdedigden, vertelt de sheriff, zo zal dat met Loving County niet gebeuren. In Loving County zullen ze terugvechten.

Alan Sparks en Billy Burt Hopper waren rustig toen ze dit kamertje inliepen. Nu niet meer. „Wij zijn voorbereid”, zegt Sparks.

Belastinginspecteur

Bezoekers hebben nooit in de gaten hoe rijk Loving County is, vertelt de sheriff als we onze tocht voortzetten. Zelf weet hij het precies. Hij is behalve sheriff ook de belastinginspecteur van Loving County. Er zijn duizenden olie- en gasvelden in de provincie en hun waarde werd vorig jaar getaxeerd op 900 miljoen dollar. Dat is omgerekend ruim 10 miljoen dollar per inwoner: telkens als de VS een volkstelling houden blijkt Loving County de rijkste provincie van het land.

„Ze noemen ons ook wel Klein Koeweit”, gnuift de sheriff.

De cijfers kunnen een verkeerde indruk wekken – veel velden zijn in handen van oliemaatschappijen – maar feit is dat achter de vervallen aanblik van Loving County een groot vermogen schuilgaat. En de staat Texas probeert geregeld mee te profiteren van de rijkdom van de provincie. Een soort solidariteit die ze hier hoogst verdacht vinden.

„Dan willen ze ons geld uitgeven aan de armen of zo”, smaalt Harlan Hopper, de neef van de sheriff en een van de dagelijks bestuurders van Loving County. „Kun je het geloven? Ze pakken ons geld af en geven het door aan een of ander stads meisje dat op haar dertiende al een baby heeft!”

Harlan Hopper is nooit vertrokken uit Mentone en dat kun je merken. Ook hij heeft de introverte koppigheid van de achterblijver: kom niet aan mij, kom niet aan mijn land. Met zijn moeder runt hij ook het benzinestation van Mentone. Een merkloze pomp met zo’n tikker van plastic letters uit de jaren zeventig. Pinnen of betalen met een creditcard is onmogelijk.

Sinds het lokale café zijn deuren heeft gesloten, is hun winkeltje de laatste openbare verzamelplaats van Mentone. Er staan krukken voor de toonbank, de televisie is afgestemd op Tell N Sell, asbakken slingeren rond – aan een rookverbod hebben ze hier nog nooit gedacht. Harlan Hopper verkoopt bier en verpakt voedsel, vooral snoep en snacks. Vroeger had hij ook verse groenten. „Maar dat bedierf altijd.”

De bezoekers bekijken uitdrukkingsloos hoe een Tell N Sell-dame een nieuwe barbecueset aanprijst. Ze geven geen kik. Harlan Hopper neemt me na wat gefluister met zijn neef apart. „Je kunt beter gaan”, zegt hij zachtjes. „Ze vertrouwen het niet meer als je zo lang blijft hangen.”

Het komt door de vijandige overnamepogingen waarmee Loving County de laatste jaren te maken heeft, vertelt Billy Burt Hopper als we weer door het lege land rijden. Loving County loopt eigenlijk permanent het gevaar te worden opgekocht. De terugval van het aantal inwoners is niet tegen te gaan, en wie kwaad wil, hoeft maar veertig stemmen op te kopen om het beheer te krijgen over een stuk grond gelijk aan de helft van Nederland. „En wie wil dat niet?”

Stemrecht

De rechter schoot Loving County in het verleden te hulp. Hij stond stemrecht toe aan landeigenaren en hun families die niet in de provincie wonen maar wel „de intentie” hebben dat ooit te doen. Zodoende heeft Loving County 80 inwoners maar 130 stemgerechtigden.

Toch had een groep libertairen uit Florida de provincie een paar jaar geleden bijna in zijn greep gekregen. Ze kochten met hun families op eBay grond in Loving County, verwierven zo stemrecht voor ongeveer vijftig man, en waren volgens Billy Burt Hopper van plan de economie op bijzondere wijze te vernieuwen: gokken, prostitutie en drugs zouden worden vrijgegeven.

Billy Burt Hopper trekt het vrome gezicht waarmee hij zijn kiezers destijds van het gevaar doordrong. „‘Moet je nagaan’, zei ik. ‘Ze willen een soort Europa van Mentone maken!’ ”

De sheriff legt uit dat hij de overname voorkwam door de grondaankoop op eBay ongedaan te maken: hij sjoemelde er achteraf een hoger bod tussen. Daarna vaardigde hij een arrestatiebevel tegen de libertairen uit: omdat ze bij nader inzien geen grondeigenaar waren hadden ze zich op onwettige wijze stemrecht toegeëigend.

De rechter verweet Billy Burt Hopper later dat hij zijn boekje ver te buiten was gegaan, maar de sheriff zat er niet mee: hij had Loving County toch maar mooi gered.

En och, een flexibele omgang met de wet hoort bij Loving County en de Boppers. Toen zijn grootvader in 1906 in Mentone aankwam was hij een voortvluchtige gokker uit Colorado. Poker en Moon speelde hij, een ander kaartspel waarin het draait om bluf. Later in Mentone kon hij het gokken opnieuw niet laten, Billy Burts grootmoeder wist hem te verleiden, hij kwam volledig aan de grond te zitten. Maar hij eindigde zijn leven als de grootste cafébaas die Mentone ooit had. „De Boppers zijn altijd outlaws geweest”, grinnikt de sheriff.

Alan Sparks, de wapensmid van Mentone, vertelt ’s avonds, als het duister begint in te vallen, dat hem soms de angst bekruipt dat Loving County het niet zal redden. Tot nu toe wisten ze, de achterblijvers, Loving County blank te houden. Tot nu toe konden ze de rijkdom onderling verdelen. Tot nu toe wisten ze nieuwe landeigenaren de pas af te snijden. Tot nu toe bleef Loving County van hen – de cowboys, de olieboeren, de zonderlingen.

Maar hoe lang nog? De leegloop gaat door. Bedrijvigheid is er niet meer in Mentone. Een vijandige overname wordt steeds makkelijker. En Billy Burt Hopper, de onbetwiste baas, is 73 jaar en lijdt aan ernstige suikerziekte. De twee laatste keren dat het politiealarm afging in Mentone, vertelt Sparks, was omdat er een ambulance voor de sheriff nodig was.

„Als Billy gaat”, zegt Alan Sparks, „gaat Loving County met hem mee.”