Rijk en arm mixen niet

Gettovorming in Nederland valt mee, aldus Gwen van Eijk.

Maar arme mensen in een gemengde wijk trekken zich niet op aan hun rijkere buurtgenoten.

Nederland, Rotterdam, 2 december 2003 Achterstandswijk Rotterdam Bospolder- Tussendijken tussen wijken Spangen en Delfshaven dichtgetimmerde woningen Integratie Verpaupering veel allochtonen bewoners verval woonwijk overlast kansarmen allochtonen probleemwijk oudewijken bestrijden van sociaal economische achterstanden in de Rotterdamse wijken. allochtonenstop kinderen leer-werkplicht voor jongeren tot 23 jaar, inkomenseis voor mensen die het recht hebben zich in de stad te vestigen. Ruimtelijke Ordening Wonen verloedering foto: Peter Hilz
Nederland, Rotterdam, 2 december 2003 Achterstandswijk Rotterdam Bospolder- Tussendijken tussen wijken Spangen en Delfshaven dichtgetimmerde woningen Integratie Verpaupering veel allochtonen bewoners verval woonwijk overlast kansarmen allochtonen probleemwijk oudewijken bestrijden van sociaal economische achterstanden in de Rotterdamse wijken. allochtonenstop kinderen leer-werkplicht voor jongeren tot 23 jaar, inkomenseis voor mensen die het recht hebben zich in de stad te vestigen. Ruimtelijke Ordening Wonen verloedering foto: Peter Hilz HollandseHoogte

Volgens Haagse richtlijnen moeten in arme stadswijken ook rijke mensen gaan wonen. Dan ontstaat ‘menging’ en kunnen de lageropgeleide bewoners zich optrekken aan de geslaagde nieuwkomers. Door nieuwe contacten komen wijkbewoners zonder werk of scholing op ideeën en misschien ook wel aan een baan, denken beleidsambtenaren.

Een mooie gedachte, maar het gebeurt niet, is de conclusie van socioloog Gwen van Eijk.

Van Eijk promoveerde vrijdag cum laude aan de TU Delft op een vergelijkende studie van drie Rotterdamse wijken. Ze koos voor Blijdorp, een gegoede buurt ten noorden van het Centraal Station; voor Hillesluis, een arme wijk in Rotterdam-Zuid met in meerderheid allochtone, laagopgeleide bewoners; en voor de wijk Cool, die deel uitmaakt van het stadscentrum en een gemengde bevolking heeft.

In die drie buurten bracht Van Eijk de netwerken van 382 Rotterdammers in kaart.

Van Eijk over haar aanpak: „Ik bekeek vooral de relaties in iemands netwerk die op een of andere manier behulpzaam zijn geweest, variërend van een klusje in huis tot voorspraak bij een baan. De gemiddelde omvang van die ‘behulpzame netwerken’ was zeven personen. Wat minder in Hillesluis, en wat meer in Blijdorp.”

Gettovorming is in Nederland niet zo ver voortgeschreden dat mensen alleen mensen kennen in hun eigen buurt. In de drie onderzochte wijken woont gemiddeld maar één op de zes leden van een persoonlijk netwerk – 16 procent – in de buurt. Van Eijk: „Het percentage wijkgenoten in iemands netwerk ligt wat hoger voor de gemiddelde Hillesluizer, die familie in de buurt heeft, en wat lager in kansrijke buurten als Blijdorp.”

Relaties ontstaan nauwelijks in de wijk. „Een enkeling noemde een buur in zijn of haar netwerk, maar als je kijkt waar die concreet mee helpt, dan is dat hoogstens een boodschap in geval van ziekte. Dat zijn zwakke relaties – groeten, een kleine wederdienst – die niet van invloed zijn op iemands levensloop. Waardevolle relaties, die je verder helpen in het leven, ontstaan via studie, werk en, in mindere mate, verenigingen.”

Als de buurt geen rol speelt in het ontstaan van netwerken, dan maakt het ook niet uit of een buurt gemengd is. Van Eijk stelde vast dat leden van hogere inkomensgroepen die bewust kiezen voor een gemengde wijk als het Rotterdamse Cool, nauwelijks omgaan met kansarmen in hun buurt.

„Ongeveer de helft van de Coolbewoners zegt zich aangetrokken te voelen door gemengde buurten. Maar die nieuwe middenklasse vindt diversiteit eigenlijk alleen interessant om naar te kijken. Misschien draagt die wel bij aan hun identiteit als tolerant. Daar is niks mis mee, maar het vertaalt zich niet in overbruggende relaties, die beleidsmakers zo graag zouden zien.”

Eigenlijk luidt Van Eijks conclusie: soort zoekt soort, ook in een gemengde wijk. Niet verrassend, zou je zeggen. „Nee. Dat is niet verrassend. Mensen gaan vooral om met mensen die op hen lijken qua leefwijze en opvattingen. Toch denken beleidsmakers dat die afstand kan worden overbrugd door mensen door elkaar te laten wonen. Het is niet zozeer onwil, het heeft te maken met iemands dagelijkse omgeving. Als je nooit op plekken komt waar je mensen met een lagere opleiding ontmoet, houdt het gewoon op. Het werk, waar kansrijke mensen relaties vormen, is bij uitstek een sociaal-economisch gesegregeerde plek.”

Het lijkt er op dat overbruggende relaties een hersenspinsel van beleidsmakers zijn. Maar zover wil Van Eijk niet gaan. „Kijk je naar de meer duurzame relaties, en daar heb ik me op geconcentreerd, dan vind je weinig overbrugging. Misschien is die er wel in de meer vluchtige contacten. Het is alleen de vraag of die van waarde zijn voor sociale stijging.”

Naar aanleiding van alle politieke retoriek over krachtwijken en prachtwijken zei de socioloog Godfried Engbersen: je moet niet werken aan wijken, je moet werken aan mensen. Zorg voor werk en onderwijskansen. Van Eijk is het met hem eens. „Voor netwerken doet de buurt er niet toe. Wat er toe doet, is of je studeert, werk hebt en meedoet aan het sociale en politieke leven. Dat betekent dat beleidsmakers vooral moeten investeren in mensen. Maar dat wil niet zeggen dat je niks aan verkommerde buurten moet doen.”

Van Eijk ziet wel degelijk voordelen in mengingsbeleid. „Er zijn alleen veel betere argumenten voor die aanpak dan overbruggende relaties. Zoals: opwaardering van de woningvoorraad; versterking van de sociaal-economische structuur; meer huiseigenaren, die oog hebben voor de omgeving; doorbreking van een negatieve reputatie en meer wederzijdse tolerantie.”

Download de dissertatie van Van Eijk via nrcnext.nl/links

    • Dirk Vlasblom