Stop olieboren in kwetsbare zeeën

President Obama heeft onlangs de mogelijkheid tot boren in zee verruimd. Dat besluit was verkeerd. Het omgekeerde is nodig, betoogt Michael T. Klare.

Het is moeilijk om de omvang te bevatten van de milieuramp die zich in de Golf van Mexico voltrekt door de olievlek van het boorplatform Deepwater Horizon van BP. Op het ogenblik weet niemand precies hoeveel olie er uit de boorput in zee stroomt. Op grond van een vroege schatting beweert BP dat het om niet meer dan 5.000 vaten per dag gaat, maar in wetenschappelijke kringen wordt eerder uitgegaan van 60.000 à 70.000 vaten. Gezien de vijf weken die de olie nu al lekt, is inmiddels negen maal zoveel in de Golf terechtgekomen als in 1989 uit de Exxon Valdez is gestroomd, en het einde is nog niet in zicht.

Voor het eerst in de geschiedenis dringt de olie door tot in de diepe stromingen van een halfgesloten zee, waarbij het water wordt vergiftigd, zodat hele klassen van mariene soorten vernietigd dreigen te worden. De Golf van Mexico is als het ware getroffen door een onderwaterneutronenbom, die weinig zichtbare schade aan de oppervlakte heeft aangericht, maar de levende wezens daaronder vernietigt.

Wie draagt verantwoordelijkheid voor deze regelrechte ramp? Wat moet ertegen worden gedaan?

Om met de eerste vraag te beginnen: het is duidelijk dat een groot aantal betrokkenen verantwoordelijkheid draagt, van de boorleiding op het platform Deepwater Horizon en de BP-medewerkers belast met het toezicht op hun werk tot de overheidscontroleurs die de bedrijven blanco ontheffingen verleenden om de vereiste milieu-evaluaties achterwege te laten. Maar zoals bij alle kwesties die voortvloeien uit grote beleidslijnen, draagt deze ramp het stempel van degenen die uiteindelijk beslisten: presidenten George W. Bush en Barack Obama.

Uit de beschikbare informatie valt af te leiden dat de explosie van 20 april zich heeft voorgedaan doordat de BP-leiding haast had om de boorput af te sluiten en het platform naar een andere boorlocatie te verplaatsen. Om de verhuizing te versnellen, heeft de BP-leiding kennelijk ingestemd met de riskante afsluitprocedure die tot de fatale ontploffing heeft geleid. Op een bepaald niveau kan de verantwoordelijkheid dus bij de mensen worden gelegd die bij dat besluit betrokken waren, én bij Cameron International, de fabrikant van de veiligheidsklep tegen explosies, die defect lijkt te zijn geweest. Deze mensen werkten in een bedrijfscultuur waarin productiviteit en winst boven veiligheid en milieubescherming gingen.

Maar ze werkten niet in een politiek vacuüm. De overheid, eerst onder Bush en daarna onder Obama, is gebrand op een productieverhoging in de Golf van Mexico. Toen in de jaren negentig duidelijk werd dat de olieopbrengst uit Prudhoe Bay in Alaska terugliep en dat geen enkele andere landlocatie in de VS een hogere olieproductie zou kunnen opleveren, heeft de overheid gestreefd naar een productiestijging in de Golf van Mexico om de afhankelijkheid van ingevoerde olie te verminderen. Daarom deed de regering-Bush het voorstel om nieuwe boorgebieden open te stellen, waaronder het Arctic National Wildlife Refuge (ANWR) en het Outer Continental Shelf.

Bush heeft het Congres nooit weten over te halen om boring in het ANWR goed te keuren. Maar hij heeft wel een uitbreiding gedaan gekregen van boring in andere gebieden, waaronder het diepe water van de Golf. Het belangrijkste instrument van Bush hiertoe was de Minerals Management Service (MMS), de dienst van het departement van Binnenlandse Zaken die ging over de concessieverstrekking voor offshoreboringen en de inning van de vergoedingen en royalty’s die bedrijven betaalden om in federale wateren te mogen opereren.

Toen kwam de regering-Obama. Obama stond uiterst kritisch tegenover het milieubeleid van zijn voorganger, maar maakte weinig aanstalten om de groeiende Amerikaanse afhankelijkheid van offshoreolie terug te draaien. Net als onder Bush is de MMS concessies voor offshoreboring in de Golf van Mexico blijven verstrekken zonder milieutoetsing te eisen. In oktober gaf de dienst Shell een voorlopige toestemming tot boring in de Beaufortzee, aan de noordkust van Alaska, ondanks de waarschuwingen van wetenschappers dat een lek in deze noordelijke wateren catastrofale gevolgen voor het milieu zou hebben. Maar op 30 maart – drie weken voor de ramp met het Deepwater Horizon – kondigde Obama aan dat hij zijn toestemming tot offshoreboringen zou uitbreiden tot nog meer gebieden in de Golf van Mexico, maar ook in de Beaufortzee en de Chukchizee boven Alaska en aan de Oostkust. Ten dele zette Obama deze stap vermoedelijk om de steun van de Republikeinen in de Senaat bij de voorgestelde klimaatbeschermingswet te krijgen, maar het is ook een uiting van zijn overtuiging, geërfd van Bush, dat de VS meer binnenlandse olie moeten produceren om hun afhankelijkheid van de invoer te verminderen.

Sinds de explosie in de Golf van Mexico heeft de regering een aantal halfslachtige maatregelen genomen om de uitbreiding van boring in diep water te vertragen. Ze heeft de toekenning van nieuwe offshoreconcessies stopgezet, al blijft de MMS ze naar verluidt nog steeds verstrekken. Ook heeft ze plannen aangekondigd om de MMS in onafhankelijke diensten op te splitsen – en afzonderlijke instanties verantwoordelijk te maken voor toekenning van concessies, de inning van vergoedingen en het milieutoezicht – ter vermijding van een toekomstig belangenconflict. Maar al die instanties zullen onder het departement van Binnenlandse Zaken blijven vallen en het is onhelder of het Witte Huis echt de wil heeft riskante offshoreboringen te beperken.

Wat kunnen we van dit alles leren? Het moet duidelijk zijn dat alleen een verscherping van de veiligheids- en milieuprocedures op offshoreplatforms niet voldoende zal zijn om verder milieubederf te voorkomen. Zolang de grote energiebedrijven hun toekomstige winsten blijven putten uit boringen in steeds diepere wateren, zijn nieuwe rampen onvermijdelijk. Het is duidelijk dat het beleid, en niet de uitvoering daarvan zal moeten veranderen.

Om nieuwe milieurampen te voorkomen zal president Obama moeten inzien dat zijn plan tot offshoreboringen een misvatting is.

Hij moet alle boringen in de Noordelijke IJszee, de Atlantische Oceaan en nieuwe gebieden in de Golf van Mexico stopzetten, totdat overheid en bedrijfsleven hebben vastgesteld of het ooit veilig is om in deze wateren te opereren.

Zoals uit de onbeholpen reactie van BP op deze crisis blijkt, zijn de bedrijven niet in staat om lekken in diep offshorewater te beheersen. En dus moet elke toestemming tot nieuwe boorputten in de Golf van Mexico afhankelijk worden gesteld van de ontwikkeling van veiligheids- en opruimingstechnieken die op hun taak berekend zijn. Intussen moet alles op alles worden gezet om sneller alternatieve brandstoffen te gaan gebruiken, die minder bedreigingen voor de natuurlijke omgeving opleveren.

Michael T. Klare is verbonden aan The Nation en doceert vredes- en veiligheidsvraagstukken aan het Hampshire College. Zijn nieuwste boek is Rising Powers, Shrinking Planet: The New Geopolitics of Energy.