Politiek wil nieuwe strengheid in de klas

Bezuinigen op onderwijs is taboe voor de politieke partijen. Er moet extra geld komen voor bijscholing van leraren, en elke basisschool verdient een conciërge.

Onderwijs is nauwelijks omstreden in verkiezingstijd. Je kunt voor of tegen de hypotheekrenteaftrek zijn, of voor of tegen de Joint Strike Fighter. Maar beter onderwijs, daar is niemand tegen.

De politieke partijen roepen om het hardst dat op onderwijs niet bezuinigd zal worden. De PvdA wil rond de 1,25 miljard euro investeren in onderwijs, SP en GroenLinks willen 1,5 miljard extra investeren en de VVD wil 2,5 miljard euro extra investeren in onderwijskwaliteit, tegengaan van schooluitval en prestatiebeloning. D66 wil 2,5 miljard euro investeren, onder meer bekostigd door te besparen op de studiebeurs.

Kwaliteit is in alle programma’s het sleutelwoord. Kwaliteit is: nóg meer aandacht voor rekenen en taal. Politici ergeren zich wild aan de afnemende reken- en spelvaardigheid. Maar kwaliteit betekent ook: een conciërge bij elke basisschool, zoals D66 en GroenLinks wensen.

Over een aantal ‘kwaliteitskenmerken’ zijn de partijen het eens. De leraar bijvoorbeeld. Die moet beter worden opgeleid. Dat is een verdere uitvoering van het actieplan Leerkracht (2007), met maatregelen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Sommige ideeën zijn uitgewerkt, maar na- en bijscholing zijn blijven steken. Scholen maken hier te weinig uren voor vrij. D66 wil een beroepsregister invoeren om de scholing en daarmee de kwaliteit van leraren bij te kunnen houden.

Er staan nog te veel onbevoegde leraren voor de klas – en ze moeten sneller hun diploma halen. In de regio Den Haag, waar het docententekort tot de hoogste van het land hoort, wordt 25 procent van de lessen door onbevoegden gegeven. Tegen de afspraken in staan ‘Persoonlijke Assistenten van de Leraar’ vaak onbevoegd voor de klas. Ze horen eigenlijk een leraar te ondersteunen, maar die zijn er niet voldoende.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) is trots op de verschillende initiatieven die zij de afgelopen tijd heeft opgezet om mensen het leraarvak in te lokken. Maar de behoefte aan nieuwe leraren mag niet leiden tot „bijstelling van de bekwaamheidseisen van leraren en een verlaging van de status van leraren”, zoals de SGP het verwoordt. De SP vindt dat leraren binnen twee jaar een diploma moeten halen. En de ChristenUnie wil leraren in het uiterste geval hun bevoegdheden ontnemen als zij zich niet voldoende bijscholen.

Een ander belangrijk onderwerp voor politieke partijen is het ontbréken van kwaliteit. Denk aan de zwakke mbo-opleidingen. Het moet onmogelijk worden voor zwakke scholen om überhaupt te beginnen. VVD en CDA zijn er nog niet over uit of zwakke scholen nu één maand vóór opening of drie maanden erna reeds de maat kan worden genomen.

In het algemeen is er meer neiging tot strengheid, of ‘nieuwe gestrengheid’ zoals oud-minister Plasterk een jaar geleden bepleitte in een opiniestuk. Daarbij hoort het vaststellen en bijhouden en van eisen. Het openbaar maken van slechte scores, een paar jaar geleden met rumoer begonnen voor het basis- en voortgezet onderwijs, is nu bijna vanzelfsprekend. Meten om tot kwaliteit te komen.

De VVD denkt dat het een goed idee is als kinderen op heel jonge leeftijd verplicht worden getoetst, vóór de basisschool. Sowieso moet er méér worden getoetst. Voor het mbo zou een entreetoets leerlingen moeten selecteren op geschiktheid en motivatie.

De PVV wil dat de onderwijzer weer wordt aangesproken met ‘meester’ of ‘juf’. De Canon van Nederland wordt verplicht ingevoerd, op elke basisschool hangt de Nederlandse vlag en wordt het Wilhelmus geleerd.

Dat hoeft niet zo duur te zijn, maar veel andere maatregelen zullen toch moeten worden bekostigd. Door doelmatiger te werken wellicht, zoals de Onderwijsraad heeft voorgesteld. Met name tijdschrijven door leraren leidde tot veel verzet. Later nuanceerde de raad dat voorstel, bedoeld was om twee weken per jaar bij te houden wat je die dag hebt gedaan.

Het beschikbare geld moet op een „bewuste” manier worden verdeeld, aldus de Onderwijsraad. Dat kan als iedereen zich verantwoordelijk voelt. Lerarenteams, bijvoorbeeld, moeten gezamenlijk de verantwoordelijkheid krijgen om met geld te schuiven. Ownership in de docentenkamer. Dat past dan weer bij de nieuwe trend in onderwijsland: het door de Onderwijsinspectie omarmde ‘opbrengstgericht werken’. Scholen stellen doelen voor de leerlingen en passen het niveau daar op aan. Eenderde van de basisscholen werkt al zo.

Het is echter de vraag of deze concepten uit het bedrijfsleven een antwoord kunnen bieden op reële problemen als de scheiding tussen witte en zwarte scholen, achterstand in de provincie en voortijdige schoolverlaters.

Dit is deel 4 in een serie over maatschappelijke thema’s en de verkiezingsprogramma’s. Morgen: de burger en zijn privacy.