Klein klein peutertje

Word je vijf dan moet je naar de basisschool: je valt onder de leerplichtwet. Maar wie vier is, mag ook al naar school en van dat recht maken bijna alle kinderen gebruik. De Onderwijsraad bepleit in het advies Naar een nieuwe kleuterperiode dat elk driejarig kind de mogelijkheid krijgt om alle vijf ochtenden van de week naar school te gaan. Het zou deel uitmaken van het reguliere onderwijs en dus kosteloos zijn en beantwoorden aan uniforme kwaliteitseisen.

ChristenUnie-lijsttrekker Rouvoet heeft het advies al gelaakt. Het gaat dan ook in tegen de typisch Nederlands calvinistische moederschapstraditie – peuters horen thuis bij een mamma die altijd thuis is – maar het advies is alleen al een goed idee omdat het beantwoordt aan een niet te ontkennen praktijk. Immers: 92 procent van de hedendaagse driejarigen brengt wekelijks een of meer dagdelen door op de kinderopvang.

Door die vraag is de hoeveelheid crèches, peuterspeelzalen en voorscholen snel toegenomen, en wat ze bieden wordt door wildgroei verduisterd. Tegenover de biologische stamppot van een professionele kok in een Amsterdams kinderdagverblijf staan de boterhammen met chocopasta bij de kinderopvang ergens anders. De opleiding van de leidsters (nog altijd bijna uitsluitend vrouwen) is niet gestroomlijnd, en de dagbesteding van de kinderen hangt te vaak af van de natte vinger van directie of van de luim van de leidsters. Hier krijgen de kinderen yogales, daar wordt er dagelijks geknutseld, en weer elders spelen ze veel buiten.

De voorgestelde schoolgang voor driejarigen zal door ouders opgevat worden als van staatswege georganiseerde kinderopvang. Maar het advies snijdt alleen hout als zo’n prebasisschooltraject het welzijn en de educatie van kinderen dient, net als in de groepen één tot en met acht.

Peuters zijn niet gebaat bij prematuur onderwijs in vakken als lezen of rekenen. Hooguit wordt er bij het zingen tot twee geteld: „Deze vuist op deze vuist...” De voorgenomen peutertjeschool is een klasje waar volgens een uitgekiende strategie nadrukkelijk spelenderwijs sociale en verbale vaardigheden worden opgepikt. Zo blijken peuters die spelen met leeftijdgenootjes gemakkelijker ingewikkelde taalcapriolen te doorgronden dan in contact met leidsters of ouders. De taalvaardigheidstoets voor peuters op consultatiebureaus, onderwerp van discussie sinds 2009, zou wel eens overbodig kunnen worden.

Het advies beveelt voor de 3-jarigen kleinere groepen aan dan in de onderbouw (groep 1 en 2). Verder bepleit de Onderwijsraad herinrichting van de pabo’s, met twee aparte opleidingen, voor het werken met 3- tot 8-jarigen en met 6- tot 12-jarigen. Die tweedeling gaat voorbij aan de werkelijkheid. Een 3-jarige vraagt een andere strategie dan een 8-jarige; de 6-jarige stelt heel andere eisen dan de aspirant brugklasleerling. Specialisaties voor drie leeftijdsgroepen lijken zinniger. Wordt dat niet meteen ordentelijk georganiseerd, dan leidt het advies tot ongelukkige kinderen. Dat mag niet.