Ik zwijg want ik kom niet verder dan ‘hgnnn’

Het is druk in de trein, en ik loop door de coupés op zoek naar een plekje. Op weg naar het balkon duw ik het klapdeurtje open, en kijk routineus om, zodat ik kan zien of er nog iemand aan komt. Er loopt een jongen een paar passen achter me, dus ik houd de deur

Het is druk in de trein, en ik loop door de coupés op zoek naar een plekje. Op weg naar het balkon duw ik het klapdeurtje open, en kijk routineus om, zodat ik kan zien of er nog iemand aan komt. Er loopt een jongen een paar passen achter me, dus ik houd de deur open en wacht tot hij er is. En dan gebeurt het: in plaats van het klapdeurtje aan te pakken, loopt hij er zonder een spier te vertrekken gewoon doorheen.

Verbluft kijk ik hem na, de deur nog steeds open houdend. In één klap ben ik van een beleefde, welwillende treinganger in een soort persoonlijke portier veranderd. Een onderdanige portier, in zo’n rood kostuum met gouden biesjes. Ik voel een sterke behoefte om de jongen iets na te roepen, iets over dat hij ook nog wel zijn modderige voeten te ruste mag leggen op mijn rug en dat ik ondertussen zijn koffiebeker zal dragen op mijn uitgestoken tong, maar ik weet dat ik niet verder zal komen dan: ‘Hgnnn’, dus ik zoek verslagen een stoel op.

Ik vind treinreizen doorgaans erg prettig. Vooral lange, stille ritten, met uitzicht op verlaten industrieterreinen. Natuurlijk is de realiteit vaak anders, en kom je er in een overvolle, bedompte coupé na een paar minuten achter dat je buurman tijdens telefoongesprekken nogal houdt van het woord ‘zekerssss’ en je buurvrouw een mechanische versie van het liedje Genie in a bottle als ringtone heeft, maar zelf zo verzonken is in de muziek uit haar koptelefoon dat ze dit niet hoort. Jij hoort het wel. Het klinkt alsof iemand haar heel erg probeert te bereiken.

Maar mensen ergeren zich op deze manier vast ook aan mij: dat ik gedachteloos op de velletjes langs mijn nagels bijt, tijdens telefoongesprekken graag een woord als ‘konkelefoezelen’ gebruik, mensen afluister (soms hebben ze dat door) en bovendien zitten mijn benen altijd in de weg. Daarom wil ik ook helemaal niet toe naar een wereld waarin iedereen op aparte stoeltjes angstig zwijgend in de trein zit. Dan heb ik duizend keer liever ringtones om me heen.

Maar toch. Van sommige dingen wordt het reizen fijner.

Laten we dit afspreken: we moeten elkaar een beetje helpen. Ik vind het zelf bijvoorbeeld best vreemd dat als iemand vraagt of hij kan zitten, doelend op een stoel waar een tas op staat, de eigenaar eerst heel diep zucht voordat hij de tas pakt. Een tas is bij mijn weten nooit zo moe dat hij meer recht heeft op een zitplek dan een mens. Of het moment waarop de treindeuren openen, en je in de vele ogen staart van mensen die zich onmiddellijk als een meute zombies de trein in beginnen te duwen. En vooral: als iemand de deur voor je openhoudt, pak je die aan. Zekerssss.