Gekwelde rebel werd psychopaat op afroep

Acteur Dennis Hopper belichaamde vijf decennia Amerikaanse film: rebel, hippie, junkie, herborene, eerzaam kunstverzamelaar.

Actors Peter Fonda (L) and Dennis Hopper are shown in this undated publicity photograph, in a scene from their 1969 film "Easy Rider". Hopper died May 29, 2010 at his home in Venice, California, from complications of prostate cancer, a friend told Reuters. Hopper was 74. REUTERS/Columbia Pictures/Handout (UNITED STATES - Tags: ENTERTAINMENT OBITUARY) NO SALES. NO ARCHIVES. FOR EDITORIAL USE ONLY. NOT FOR SALE FOR MARKETING OR ADVERTISING CAMPAIGNS Reuters

Dennis Hoppers laatste rol had hij een kwart eeuw in talrijke varianten gespeeld: Ben Cendars in tv-serie Crash. Een paranoïde, gewelddadige schurk, het vel strak over jukbeenderen, ogen als smeulende kooltjes. De eerste versie daarvan was de lachgas snuivende gangster Frank Booth in Blue Velvet (1986), van wie je nooit wist of hij je ging kussen of vermoorden.

Dennis Hopper, zaterdag op 74-jarige leeftijd overleden aan prostaatkanker, is nu vooral bekend als schurk in blockbusters als Speed of Waterworld. Sinds hij in 1984 afkickte van alcohol en cocaïne, Republikein en golffanaat werd, nam hij elke rol aan. „Ik haal mijn verloren jaren in”, zei Hopper daarover.

Frank Booth was in zekere zin een parodie op de jonge Hopper, die op Hollywoodfeestjes studiobazen toebeet dat de revolutie naderde en er koppen zouden rollen. Die houding bracht hem als acteur ruim twee decennia op de zwarte lijst, maar tussendoor regisseerde hij wel zijn grootste bijdrage aan de filmcultuur: Easy Rider (1969). Een roadmovie over twee hippies die na een geslaagde cokedeal op motors door Amerika reizen en belaagd worden door rancuneuze rednecks.

Het spotgoedkope Easy Rider werd een wereldhit in een periode dat Hollywood het contact met de jeugd kwijt was. De film luidde het ‘nieuwe Hollywood’ in, opende de deur voor een generatie filmmakers, van Martin Scorsese tot Steven Spielberg.

Triomf en catastrofe: bij Hopper lagen ze in elkaars verlengde. Toen de dorpsjongen uit Kansas in 1956 in Los Angeles arriveerde, traden in de rokerige cafés van Venice Beach beatdichters als Allen Ginsberg op. De eerste regels van diens Howl lijken voor hem geschreven: „I saw the best minds of my generation destroyed by madness/ starving hysterical naked”. Gekweld, hypersensitief en destructief zijn was toen hip.

Hopper viel op met een rolletje van epilepticus in de tv-serie Medic. Hij debuteerde in Rebel without a Cause, waar hij zijn idool James Dean ontmoette. Als lid van diens ‘rat pack’ cultiveerde hij de reputatie van lastpak, tot veteraan Henry Hathaway hem in 1958 bij de western From Hell to Texas op zijn plaats zette. Hathaway beloofde een dinerscène net zo lang te filmen tot Hopper deed wat hij moest doen. Het werd een vijftien uur durende marathon waarin Hopper de scène op 86 manieren speelde. Daarna brak hij in tranen en deed wat Hathaway eiste.

Hopper belandde wegens wangedrag op de zwarte lijst en trok naar New York, waar hij zich bekwaamde in ‘The Method’ in de acteerstudio van Lee Strassberg en leefde van tv-series en fotografie. Met zijn camera was hij waar het gebeurde: in de Factory van Andy Warhol, bij burgerrechtmarsen in het diepe Zuiden. In Hollywood verdween hij nooit helemaal uit beeld door zijn huwelijk met Hollywoodprinses Brooke Hayward. Soms werd hem een bijrol toegeworpen, veelal in B-films. Tot hij in 1969 Easy Rider maakte.

Hopper zelf genoot niet lang van het succes van Easy Rider. Hij maakte in Peru een anti-film die hij profetisch The Last Movie noemde: zo experimenteel dat niemand hem wilde uitbrengen. Hopper trok zich bitter terug op een ranch in Taos, New Mexico, waar hij naar eigen zeggen dagelijks twee liter rum, 28 blikjes bier en drie gram cocaïne consumeerde. Hij raakte er slaags met zijn omgeving, stak zijn eigen huis bijna in brand, mishandelde zijn vrouwen. „Ik had Charles Manson kunnen zijn”, zei hij. Tot hij in 1983 bij opnames in Mexico naakt en hallucinerend van straat werd gepikt en op het vliegtuig naar Amerika gezet, waar hij afkickte.

Toen hij in 1984 uit zijn roes en tweede ballingschap in New Mexico ontwaakte, bleken zijn oude vrienden dassen te dragen en te heersen in Hollywood. Amerika houdt van bekeerde zondaars: Hopper kon aan de slag. 1986 was zijn comebackjaar, met de arthousehits Blue Velvet en River’s Edge en een Oscarnominatie voor de sportfilm Hoosiers. Hij mocht zelfs regisseren: het politiedrama Colors was in 1988 een hit. Maar inmiddels zocht Hopper vooral erkenning als kunstenaar en verzamelaar: zijn collectie wordt op meer dan honderd miljoen dollar geraamd. Als kunstenaar bleek hij op een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk in 2000 vooral een volger.

Er had meer ingezeten, blikte Dennis Hopper op zijn leven terug. Maar dan was hij Hopper niet geweest: energiek, wild en ongericht. Altijd in de avant-garde, en zo de aspiraties van elk door hem doorleefd tijdvak weerspiegelend: getergde rebel in de jaren vijftig, enthousiast chaoot in de jaren zestig, paranoïde wildeman in de jaren zeventig, ontnuchterde workaholic in de jaren tachtig, gedomesticeerd in de jaren negentig.

    • Coen van Zwol