Een schurk, dat was hij vroeger zelf ook

Acteur Hopper schudde nooit helemaal het imago van de paranoïde rebel van zich af.

In de filmgeschiedenis gaat hij de boeken in als oudere karakteracteur.

Dennis Hoppers laatste rol had hij eigenlijk al een kwart eeuw in talloze varianten gespeeld: Ben Cendars in de tv-serie Crash. Een paranoïde, gewelddadige producer, gemodelleerd naar zijn oude vriend Phil Spector. Een gekwelde, labiele schurk: zijn grauwe vel strak over zijn jukbeenderen, smeulende vuurkooltjes in zijn toegeknepen ogen. Deze sjabloon was zijn comebackrol van de lachgas snuivende gangster Frank Booth in de film Blue Velvet (1986). Een groteske man van wie je nooit weet wat hij gaat doen: je kussen of je vermoorden.

Dennis Hopper stierf zaterdag op 74-jarige leeftijd aan de gevolgen van een lang slepende prostaatkanker. De zware rol van Ben Cendar, waarvoor hij maandenlang in New Mexico moest wonen, nam hij aan vlak nadat de ziekte opnieuw bij hem was gediagnosticeerd. Hij was verslaafd aan werk, zei hij. En de man die meende dat hij eigenlijk niet het recht had nog te leven, gezien zijn vroegere levensstijl, moet ook een zeker gevoel van onsterfelijkheid hebben gehad.

De oude, wijze Hopper verbaasde zich erover dat hij überhaupt nog leefde. Op het hoogtepunt van zelfdestructie in 1983 consumeerde hij naar eigen zeggen dagelijks twee liter rum, 28 blikken bier en drie gram cocaïne. In datzelfde jaar verdween hij tijdens de opname van Jungle Fever in Mexico in de jungle en keerde na een dag naakt en agressief terug. Hopper werd op een vliegtuig naar de VS gezet en klom via de nooduitgang de vleugel op van het taxiënde toestel. Het was de culminatie van decennia alcoholisme en drugsmisbruik.

Deels lag het misschien in zijn aard – op de boerderij van zijn opa snoof hij als tiener benzine en sloeg in een delirium een auto kapot – en deels ook romantiek. Hopper arriveerde in 1956 in Hollywood toen je gekweld, hypersensitief en zelfdestructief moest zijn om voor genie door te gaan: de generatie Charlie Parker, Jack Kerouac, Marlon Brando. ‘The best minds of his generation’: de zelfverzekerde Hopper wist dat hij daarbij hoorde.

Hopper had als acteur geen enkele moeite zijn bekende schurkentype te herhalen: in blockbusters als Speed en Waterworld, maar ook in het gedrocht Super Mario Brothers Adventure, verkleed als het reptiel Koopa. Zijn debuut maakte hij als naamloze hooligan in Rebel Without a Cause. Op de set ontmoette hij de zes jaar oudere James Dean, die altijd zijn idool bleef.

Met zijn schurkentype speelde hij in zekere zin de Hopper van vroeger, zo vond hij zelf ook. De paranoïde, fulminerende rebel. De Hopper die hij, ondanks zijn soms wat kokette vertoon van sereniteit en bescheidenheid, nooit helemaal afschudde. Zo raakte hij vlak voor zijn dood nog verzeild in een rumoerige scheiding van zijn vijfde echtgenote, Victoria Duffy, die op zijn erfenis uit zou zijn.

Schandalen en een zekere neiging tot paranoia kleuren Hoppers leven. In de filmgeschiedenis gaat hij de boeken in als oudere karakteracteur, gespecialiseerd in schurkenrollen. Veel van zijn triomfen boekte hij in zijn verloren decennia, toen hij in Hollywood bekend stond als een raaskallende maniak en geen werk kreeg.

Alles veranderde toen hij en zijn maatje Peter Fonda een budget van 360.000 bijeenscharrelden voor een film over twee hippies die na een cocaïnedeal naar Mardi Gras gaan in New Orleans: een odyssee op de Harley Davison door tussen hippies en rancuneuze rednecks verdeeld Amerika. De opnames verliepen aanvankelijk volstrekt chaotisch – de eerste week in New Orleans filmde iedereen erop los, drogeerde zich en vocht. Later kwam er meer lijn in. Hopper introduceerde allerlei filmtechnieken uit de toenmalige Europese arthouse, en dat maakte Easy Rider tot ieders verbazing tot een megahit, met een opbrengst van 40 tot 50 miljoen dollar.

Hopper leidde een leven in fases, niet allemaal even productief, wel allemaal even boeiend. De jonge studioster van 1956 tot 1958, de uitgestoten rebel van de jaren zestig die de fotocamera ontdekte en overal was waar het ertoe deed: de acteurschool van Lee Strassberg in New York, de Factory van Andy Warhol, in het gevolg van de Rolling Stones, bij burgerrechtmarsen in het diepe Zuiden. In 1969, na het fenomenale succes van de door hem geregisseerde film Easy Rider, werd Hopper de profeet van het nieuwe Hollywood, dat voortaan artistieke auteursfilms zou maken. En na 1971 de in alcohol, drugs en waanzin verzonken kluizenaar in zijn ranch in het afgelegen Taos, New Mexico.

In zekere zin was zijn hele leven een kunstwerk. Wat niet betekent dat hij in alles wat hij deed even goed was. Als acteur was hij briljant, als regisseur op een intuïtieve manier zeer getalenteerd, als fotograaf adequaat, als kunstverzamelaar visionair, als kunstenaar een middelmatige epigoon: de expositie van zijn werk in het Stedelijk Museum in 2000 was vooral een eersteklas media-evenement.