Een kandidaat is het liefst 'onwaarschijnlijk goed'

Zaterdag was de dag van de liedjesfinales. Met zowel het Songfestival als de finale van X Factor kon muziekminnend Nederland haar hart ophalen. Of in ieder geval de mensen die van glitters, flitsende lampen, spuitend vuurwerk en publiek-dat-met-vlaggetjes-zwaait houden. Het was een lastige keuze: het Songfestival heeft de mooiste kitsch (die wanstaltige vlindervleugels!) en de mogelijkheid van een zanger die op een middeleeuws Slavisch slaginstrument gevoelig zijn liefde betuigt in krom Engels (in de halve finale was ik ook behoorlijk fan van het liedje: ‘Tell me, tell me about your feelings’, wat klinkt als de eerste zin van een net gearriveerde en hopeloos verliefde immigrant).

Maar ik koos toch voor X Factor. Ik was een tijdje een trouw volger geweest, maar toen de BadBoyz eruit gingen kon het mij niet meer zo bekoren. Ik vond de BadBoyz echt leuk. Goed, misschien zoals je twee lammetjes in de wei ziet en die echt leuk vindt, en dat je er over nadenkt hoe te gek het zou zijn als je die mee naar huis kon nemen, waar ze in een hoek van je kamer zouden wonen. Zodat je steeds naar ze kon kijken vanaf de bank wanneer ze wild ravottend door je kamer sprongen. En je tevreden zou glimlachen. Als je naar de BadBoyz keek kon je maar één ding denken: o, de pracht van vriendschap, broederlijkheid en goed ontwikkeld buikspierweefsel. Ik vond dat meer dan genoeg voor wat nationale roem.

Toch was ik wel nieuwsgierig naar de finale. Bij elke aflevering werd de spanning zo hoog opgebouwd dat er niets buiten studio 22 leek te bestaan, alsof het geheel zich afspeelde in een biosfeer vol X Factor-wetten, ver van de bewoonde wereld. Een biosfeer met zijn eigen goden: Eric van Tijn, die door de TV Kantine-persiflage een leuk mallotig randje heeft gekregen, Stacey in haar kittige pakjes, de bemoedigende, zachtaardige Angela en Gordon, die soms weer even vergat dat hij een nieuw positief mens is.

Natuurlijk is bij de finale alles op oorlogssterkte: rondschietende vonken, een uitzinnig publiek. Maar het valt me opeens op dat zowel de juryleden als de presentatoren een beetje door hun tekst heen lijken. Steeds weer wordt teruggevallen op dezelfde kreten. Een duidelijke X Factor-lingo ontvouwt zich: een kandidaat is ‘geniaal’, ‘briljant’, maar het liefst ‘onwaarschijnlijk goed’. De kandidaten ‘zetten iets neer’, als het er tenminste ‘uitkomt’, alsof het over de boze geest van talent gaat. De naam van kandidaat Maaike kan niet worden gezegd zonder de – in dialect uitgesproken – toevoeging ‘uit Enschedeee’.

Maar wat vooral wordt gezegd is: genieten. Mensen staan te genieten, moeten ervan genieten, we hebben van ze genoten en gaan nog veel van ze genieten. Genieten wordt een beetje benauwend bij X Factor. Bovendien: wat weten deze mensen van genieten als ze de lammetjes naar huis hebben gestuurd?