Denk na voor je de jeugdzorg op de schop neemt

De kans is groot dat de jeugdzorg sterk verandert. Maar de te volgen koers is onzeker, aldus Arno Janssen en Ton Monasso.

Een parlementaire werkgroep presenteerde onlangs een toekomstverkenning over de jeugdzorg, een van de taaiste maatschappelijke sectoren van de afgelopen decennia. Een brede onderzoekscoalitie van zeven partijen is erin geslaagd gemeenschappelijkheden op te zoeken in plaats van verschillen uit te meten. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat het nieuwe kabinet de conclusies van de parlementaire werkgroep – een ingrijpende stelselwijziging – overneemt, omdat praktisch alle politieke partijen het nu eens zijn hoe de jeugdzorg veranderd moet worden. Helaas is die eensgezindheid ten koste gegaan van scherpe keuzes en helderheid. De aanbevelingen geven de sector onvoldoende zekerheid over de te volgen koers.

Drie uitkomsten van de werkgroep illustreren dit. Ten eerste wordt opgeroepen om gemeenten verantwoordelijk te maken voor de vrijwillige jeugdzorg. De provincies zouden die taak dan kwijtraken. Als argument voor die decentralisatie wordt vaak aangehaald dat de aansluiting op onderwijs, maatschappelijk werk en sociale dienst zou verbeteren. Ongetwijfeld. Maar er is een reden voor terughoudendheid: kunnen 430 individuele gemeenten die taak aan? Staan zij financieel en inhoudelijk sterk genoeg tegenover slechts enkele tientallen zorgaanbieders, en zo nee, welke extra bevoegdheden krijgen zij dan?

Een tweede conclusie van de werkgroep is dat professionals meer vertrouwen zouden moeten krijgen, ten koste van regels. Tegelijkertijd merkt zij echter op dat er nog weinig behandelingen zijn die ‘evidence based’ zijn. Hoe bepaal je dan of professionals hun werk goed hebben gedaan? Moet het opleidingsniveau van de sector als geheel niet omhoog voordat je professionals zoveel eigen ruimte kunt gunnen? Waarom krijgen hulpverleners nu juist vanuit hun eigen organisaties zoveel regels opgelegd, en hoe ga je dat tegen?

Het derde en laatste voorbeeld is het aanstellen van één professional die voor de jongere of het gezin het aanspreekpunt is voor alle behandelingen. De huisarts lijkt niet de geschikte partij, omdat die al te veel patiënten en verantwoordelijkheden heeft, en meer op medische problemen is gericht.

Dan ligt het voor de hand dat jeugdartsen het doen. Hoe wordt ervoor gezorgd dat andere organisaties het gezag van de jeugdarts aanvaarden? En hoe komen jeugdigen daar terecht, als zij nu hele andere loketten kennen? Is een uitbreiding van de centra voor Jeugd en Gezin dan niet noodzakelijk? Toch worden die in het twintig pagina’s tellende rapport niet eenmaal genoemd, terwijl ze het paradepaardje van minister Rouvoet waren (Jeugd en Gezin, ChristenUnie).

Natuurlijk is het parlement geen beleidsmaker, maar de jeugdzorg zit wel dringend verlegen om duidelijkheid. De politieke partijen doen er daarom goed aan zich nu al te verdiepen in de gewenste veranderingen, zodat een nieuw kabinet zo snel mogelijk een duidelijke toekomstvisie met concrete maatregelen kan presenteren.

Arno Janssen is partner bij onderzoeksbureau Zenc. Ton Monasso is adviseur jeugdzorg bij Zenc.

Lees het rapport van de werkgroep: nrc.nl/opinieblog