De media, en een man van lang geleden

Hoe zal ik het ooit mijn achterkleinkinderen moeten uitleggen?

‘Er was eens een Nederlandse man, die eigenlijk weinig voorstelde, maar die desondanks acht jaar minister-president bleef. Het land bevond zich in die dagen namelijk sociaal, economisch, cultureel en intellectueel in een diepe crisis: als je toen de basisschool zonder al te veel kleerscheuren had voltooid, noemden ze je al ‘hoger opgeleid’. IJverig was hij wel, die man. Hij leidde in die acht jaar vier verschillende kabinetten! Hij heette trouwens Jan Peter Balkenende.

‘Wat hij sprak had dikwijls natuurlijk te maken met politiek. Dat werd van een premier verwacht. Maar hij praatte eigenlijk nog vaker over alledaagserigheden, trivia, ditjes, datjes, beuzelarijen. Dus bijvoorbeeld dat je fatsoen moest doen, liefst samen. Of dat we de draad van de Verenigde Oostindische Compagnie weer moesten oppakken. Toch? En hij schreef brieven aan Harry Mulisch, of die als groot schrijver niet méér kon participeren in het maatschappelijk debat. Maar ook aan de spelletjespresentatrice Lucille Werner die hij steunde voor het behoud van Lingo, het meest bekeken televisieprogramma van het Nederlandse bejaardentehuis. Toen een Volendammer straatzanger (van wie hij toevallig het mobiele nummer in zijn drukke agenda had staan) voor een inmiddels Milanese straatvoetballer in de steek was gelaten door Yolanthe Cabau van Kasbergen, troostte hij de doodongelukkige jongen in een warm, persoonlijk gesprek.

Waren de dingen die hij bij zulke gelegenheden zei van enig belang? Nee, allicht niet, zo was hij immers niet. Ze waren nooit behartenswaardig. Ze waren altijd zó menselijk dat je het er af zag druipen. Je hoorde ze, en ze gingen het andere oor uit’.

Tja, wat toen?

‘Op een dag tijdens een verkiezingscampagne drong een jonge vrouw aan met een vraag die hij niet wilde beantwoorden, en na de derde keer zei hij, om er van af te wezen, „U kijkt zo lief”. Nóg menselijker kon haast niet. Een minister-president die in de war is gebracht, en in z’n wanhoop iets probeert dat hij helemaal niet kan: charmeren. Het had iets ontwapenends: de man die altijd een smoes klaar had om zich ergens uit te draaien, had geen smoes meer, en vluchtte: U kijkt zo lief.’

‘En ineens, terwijl normaal zijn woordjes veronachtzaamd werden, kreeg hij voor deze vier woordjes de wind in alle Nederlandse media van voren: in het nieuws, in het hoofdartikel, in duidingen, in tientallen reacties, in interviews met dames van Opzij (dat was toen een Libelle voor feministen) of de leidster van GroenLinks (dat was toen een duurzame politieke partij) die de premier ‘een knietje’ had willen gegeven, en in afzonderlijke vraaggesprekken met de jonge vrouw die die ene vraag had gesteld, en op weblogs. En niet één dag, ben je gek, de hele week, en liefst telkens opnieuw, in nog weer een volgende en volgende column: eindeloos herhaald, want blijkbaar vonden de media dat de enige relevante informatie over die verkiezingscampagne. En ze vonden het niet potsierlijk, zoals het meeste dat ze anders negeerden, ze vonden het schandalig. En geloof het of niet: de premier was bereid zijn excuses aan te bieden!’

Hoe zou ik het jullie ooit moeten uitleggen?

‘Ik zei al: alles bevond zich in crisis, toentertijd. Ik herinner me nog een kwaliteitskrant vol goede journalisten die heel goed een vraaggesprek konden voeren, en die ook nog konden schrijven. Maar door wie liet die krant die campagne volgen? Door populaire auteurs die geen journalist waren, geen interviewervaring hadden, en niet konden schrijven. Want niet alleen de politiek was totaal van de wijs, ook de media waren de kluts kwijt.’

‘Of het later nog goed is gekomen? Gelukkig wel. Ik ben vergeten hoe. Ik denk dat ze de ergste eigenaren hebben moeten vervangen.’