Cijfers en lijsttrekkers

Als het verkiezingsprogramma van de VVD wordt uitgevoerd, stijgt de werkgelegenheid volgens berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) met 5,75 procent. Wanneer is het zover? In 2040. Is dit zinvolle informatie? Nauwelijks. Maar het zijn wel dergelijke cijfers die de lopende verkiezingscampagnes domineren. Nog zo een? Als het onderwijsbeleid van GroenLinks werkelijkheid wordt, heeft dat op het bbp een positief effect van bijna 4 procent – in 2070.

Het is nuttig, zo is op deze plek eerder betoogd, dat het CPB op hun eigen verzoek de verkiezingsprogramma’s van negen politieke partijen heeft doorgerekend, evenals het Planbureau voor de Leefomgeving. Dat heeft bijvoorbeeld duidelijke verschillen in opvattingen tussen de partijen onderstreept en zo de kiezer handige informatie verschaft.

Dit is wat de planbureaus zelf schreven over hun gezamenlijke rapport Keuzes in Kaart: „De analyse van de verkiezingsprogramma’s is geen goedkeuringsstempel of stemadvies. Doel is om op een objectieve wijze de programma’s vergelijkbaar te maken, met daarbij een overzicht van de effecten op economie en milieu. [..] Het is aan de kiezer om te bepalen welke gevolgen hem het meest aanspreken.”

Niettemin grijpen partijen de cijfers gretig aan om elkaar de maat te nemen, waarbij het overigens irritant is als er ook nog gerede twijfel bestaat over de juistheid van de berekeningen. De Rotterdamse hoogleraar ziektekostenverzekering Van de Ven heeft in deze krant betoogd dat het CPB de effecten van de besparing via het eigen risico in het PvdA-programma ernstig heeft onderschat. Het CPB spreekt dat tegen. De kiezer heeft op dit punt het nakijken. Ook is er onduidelijkheid over de gevolgen van de VVD-plannen voor uitkeringen.

Maar vooral mag het feit dat de prognoses van het CPB zelfs voor de zeer korte termijn dikwijls niet blijken uit te komen, weleens tot meer relativering leiden. Daar komt bij dat geen partij haar programma volledig zal kunnen uitvoeren bij gebrek aan een absolute meerderheid in het parlement. En zelfs als die wel zou ontstaan, dan nog zal de realiteit weerbarstiger zijn dan de theorie van een programma. Internationale ontwikkelingen, bijvoorbeeld hoe de euro zich ontwikkelt, zullen meer bepalend zijn voor de toekomst van Nederland dan welk verkiezingsprogramma ook.

De lijsttrekkers verschuilen zich in hun retoriek achter stellingen die niet meer dan schijnzekerheden zijn. Ze voegen er toverformules aan toe waaruit moet blijken dat ondanks de noodzakelijke miljardenbezuinigingen, die qua omvang zonder weerga zijn, handhaving van de koopkracht mogelijk is. Dat komt zowel het niveau als de geloofwaardigheid van de verkiezingscampagne niet ten goede.

Het zou de verkiezingsstrijd beter verteerbaar maken als de lijsttrekkers minder achter de komma zouden cijferen en meer hun ideeën voor de toekomst uiteenzetten. En dat de waarheid hun gebiedt te zeggen dat ze het eigenlijk ook niet zo precies weten en kunnen weten.