Bus: beschuitbus op wielen?

Een voor de hand liggend woord: bus. Een cilindervormig blik met vier wielen er onder. Maar wie het woord bus zo leest, houdt zich optisch voor de mal. Bus verwijst naar een winkel.

In de zestiende eeuw klaagde Erasmus al over het gedrag van zijn medepassagiers als hij per koets door Europa reisde. In de zeventiende eeuw konden rijke burgers zich in Franse steden dan ook al laten vervoeren in een draagstoel en in 1617 kreeg Nicolas Sauvage het idee koetsen te verhuren. In 1640 begint hij, in Parijs, met twintig koetsen.

Het eerste collectieve publieke vervoermiddel voor vaste routes in de stad begon in 1662, ook in Parijs. Blaise Pascal had het bedacht en werd daarbij geholpen door een hertog en twee markiezen. De Carosse à Cinq Sous (een pond vlees kostte toen vijf sous) werd getrokken door twee paarden en bood plaats aan acht personen. Het was volstrekt nieuw, het waren vijf lijnen met vaste vertrektijden. Maar omdat de nouveaux nobles de koetsen niet wilden delen met het gewone volk, tolereerden parlementariërs de koetsen alleen als het volk werd uitgesloten. De openbare koetsen reden daarom maar vijftien jaar, de markt was te klein, het bracht te weinig op. Maar in 1819 begon Jacques Lafitte, later een bekend politicus, weer met openbaar vervoer in Parijs. Voor een vast tarief werden passagiers overal opgepikt en afgeleverd.

Na de Restauratie – het aan de macht komen van de Bourbons, na de val van Napoleon I – begon Stanislas Baudry, een kolonel van het Empire op wachtgeld, met een maalderij op stoomkracht, in Richebourg, een buitenwijk van Nantes.

Een bijprodukt van zijn meelfabriek was heet water. Baudry zag ook daar handel in en liet openbare baden aanleggen.

Maar geen enkele badklant meldde zich. Baudry dacht dat zijn badhuis te ver van het centrum van Nantes lag en stelde in 1826 de bewoners van Nantes twee koetsen ter beschikking om vanuit Nantes in Richebourg te komen. De pendel heette Voiture des Bains de Richebourg en was een succes. De voertuigen waren vol, maar de baden bleven leeg. De bewoners van Nantes bleken behoefte te hebben aan mobiliteit, maar niet om zich te wassen. Baudry sloot zijn maalderij en zijn baden, en creëerde een netwerk van koetsen, wat neerkwam op de heruitvinding van stedelijk openbaar vervoer.

Maar waar komt het woord omnibus vandaan? Voor wat later autobus heet, en daarna bus? De naam omnibus werd bedacht door passagiers. De koetsen van Baudry stopten vóór de winkel van een hoedenmaker genaamd Omnes. En deze meneer Omnes, voortbordurend op het Latijn van zijn achternaam, had in grote letters op het uithangbord van zijn winkel de woorden Omnes omnibus staan (‘Alles voor iedereen’). De passagiers van de pendels van Baudry zeiden daarom dat ze naar Omnibus gingen. Later werden deze voertuigen voor iedereen omnibussen genoemd.

Baudry werd rijk, onderhandelde met het stadsbestuur in Parijs en stichtte er, met partners, in 1828 de Entreprise Générale des Omnibus. Hij mocht honderd omnibussen op tien straten van de hoofdstad laten rijden. De eis van de politie was onder andere dat elke koets meer dan één paard zou hebben en twaalf tot twintig zitplaatsen.

Stanislas Baudry kreeg zoveel concurrentie, dat hij in 1830 zelfmoord pleegde. In 1855 was er in Parijs nog één busmaatschappij over, de Compagnie Générale des Omnibus, maar het idee van een openbare bus was toen al de wereld rondgegaan. In 1831 nam de Oxford English Dictionary het woord bus op, en in 1893 noemde het Woordenboek der Nederlandse Taal bus nog platte volkstaal.