BP mist Hans Brinker

Zelfs in de natie waar de regering a priori gewantrouwd wordt, krijgt de Staat de schuld voor rampen die niet primair door de overheid zijn veroorzaakt. Nu het Britse olieconcern BP er afgelopen weekeinde wederom niet in is geslaagd om de oliebron in de Golf van Mexico te stelpen, neemt de kritiek op de Amerikaanse president Obama toe.

Na het mislukken van de operatie Top Kill – hoe dan ook een vernedering in een land dat een bijna heilig geloof hecht aan de almacht van technologische vooruitgang – weet BP het even niet meer. Het zou zelfs tot augustus kunnen duren voordat de ingenieurs de bron hebben weten af sluiten.

De regering had de bestrijding van de ramp niet aan BP mogen overlaten maar volgens de critici zelf actie moeten ondernemen. Waren het eerst alleen harde Republikeinen die Obama onder vuur namen, nu mengen ook gematigder politici als ex-minister Powell van Buitenlandse Zaken en gouverneur Jindal van Louisiana zich in het kritische koor.

De kritiek op Obama lijkt vergezocht. Had de president de ramp die zich aandient zelf kunnen afwenden, als ware hij een eigentijdse Hansje Brinker die kilometers onderwater met één vinger heldhaftig werk had kunnen verrichten? Nee. Net zo min als Bush de orkaan Katrina, die in 2005 hetzelfde gebied in het zuiden van de VS trof, had kunnen voorkomen.

Maar de kritiek is niet onverklaarbaar. In tijden van onheil eisen burgers aandacht van hun bestuurders. Bush leek die in 2005 niet te hebben. Kanselier Schröder van Duitsland was in 2002 wel meteen ter plaatse toen de Elbe overstroomde en won een maand later de verkiezingen.

Het probleem voor Obama is ook om een andere, minder psychologische, reden politiek. De milieuramp in de Golf van Mexico is geen natuurramp. Naarmate het langer duurt, komen er steeds meer aanwijzingen dat er menselijk falen in het spel is, dat bij goede regels en controle wellicht te vermijden zou zijn geweest. De technische problemen, die op 20 april tot een explosie en daarna tot het lek leidden, dienden zich eerder aan. Toch greep exploitant BP niet in.

Volgens The New York Times, die zich baseert op interne documenten, wist BP al elf maanden geleden dat het afsluitmechanisme mogelijk niet sterk genoeg was voor de hoge druk op grote diepte. Het is zelfs de vraag of de zogeheten ‘blow out preventer’, het laatste redmiddel om de oliepijp af te sluiten, op het kritieke moment wel functioneerde. Als dat waar is, heeft de overheid als vergunninggever ook gefaald.

Intussen hebben bedrijven die betrokken zijn bij het boorplatform Deepwater Horizon, tot nu toe geen open kaart gespeeld. Platformeigenaar Transocean, huurder BP en bouwer Halliburton schuiven elkaar de schuld in de schoenen. De schadeclaims van de grootste milieuramp in de Amerikaanse geschiedenis boezemen terecht angst in.

Maar met dit soort handigheidjes kan BP zichzelf nu niet meer redden. Het olieconcern kan eraan failliet gaan en kan de eigen ondergang nu maar op één manier proberen af te wenden. Door samen met de regering open kaart te spelen.