Waterproductiviteit van de landbouw kan wereldwijd omhoog

Het aantal liters water dat nodig is om een kilo voedsel te produceren is de laatste dertig jaar in de hele wereld afgenomen. Dat betekent dat de waterproductiviteit, het aantal geoogste kilo’s van een bepaald gewas gedeeld door het waterverbruik, is gestegen. Toch kan die productiviteit bijna overal verder omhoog. Dat concludeert Sander Zwart, die woensdag promoveerde aan de Technische Universiteit Delft.

Waterproductiviteit is belangrijk omdat de gestage groei van de wereldbevolking gepaard gaat met een fellere concurrentie om het beschikbare oppervlakte- en grondwater tussen agrarische, industriële en huishoudelijke gebruikers.

Zwart heeft het huidige niveau van de waterproductiviteit in de hele wereld in kaart gebracht. Voor de belangrijkste voedingsgewassen, tarwe, maïs en rijst, zette hij een database op met wereldwijde experimentele metingen van de waterproductiviteit van de afgelopen 25 jaar en met actuele informatie van satellietbeelden.

De waterproductiviteit ligt nu hoger dan aan het eind van de jaren zeventig, toen de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) hierover rapporteerde. De gemiddelde waterproductiviteit voor tarwe ligt nu op 1,1 kg per kubieke meter water, terwijl die destijds 0,8 tot 1,0 kg per kubieke meter beliep. Ook voor de andere twee gewassen noteerde Zwart hogere cijfers. Hij verklaart dit uit de ontwikkeling van verbeterde soorten, die hogere opbrengsten leveren, en beter beheer van het bevloeiingswater. Zwart constateert grote verschillen tussen tarwegebieden. In de Nijldelta is de waterproductiviteit het hoogst, gemiddeld 1,52, terwijl die in de Pakistaanse provincie Sindh maar 0,54 is. Het Nederlandse Oldambt komt op gemiddeld 1,39 kilo tarwe per kubieke meter water. Zwart schat dat in de door hem onderzochte tarwegebieden nog gemiddeld 14 procent op water kan worden bespaard, bij gelijkblijvende opbrengsten, door efficiënter gebruik van irrigatiewater.

Dirk Vlasblom