Vrees voor politisering Strafhof in Kampala

Mag het Strafhof recht spreken over een aanval van een staat op een andere staat? Na jaren van discussie proberen de aangesloten landen nu tot een besluit te komen.

Vier A4-tjes die het resultaat zijn van jaren discussie staan volgende week centraal als de landen die zijn aangesloten bij het Internationale Strafhof bijeenkomen in de Oegandese hoofdstad Kampala. Daar, tijdens een elfdaagse conferentie die vermoedelijk tot het einde spannend zal blijven, moeten zij beslissen of het hof recht mag spreken over aanvallen door een land op een ander land, en onder welke voorwaarden.

Het zou de meest verstrekkende bevoegdheid worden van het in Den Haag gevestigde Strafhof, dat is opgericht om de plegers van genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid te vervolgen. Als de rechtsmacht al had bestaan, zou er bijvoorbeeld strafrechtelijk onderzoek kunnen komen naar de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-il voor het torpederen van een Zuid-Koreaans marineschip, en naar George W. Bush voor de inval in Irak.

Toen in 1998 werd vastgesteld waar het nieuwe hof jurisdictie over zou krijgen, konden de deelnemende landen het niet eens worden over dit zogeheten misdrijf agressie. Ze besloten een werkgroep op te richten en de resultaten daarvan voor te leggen aan de eerste herzieningsconferentie van het Statuut van Rome, het document dat ten grondslag ligt aan het hof. Die conferentie begint maandag in Kampala.

De uitkomst is niet alleen bepalend voor de toekomstige taken van het hof. De 111 aangesloten staten kunnen met hun beslissing de belangrijke landen die nog niet meedoen – waaronder de Verenigde Staten, China en Rusland – naar zich toetrekken of juist van zich afstoten. Het zijn juist deze landen, alledrie permanente leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die er fel op tegen zijn dat het Strafhof rechtsmacht krijgt over het misdrijf agressie.

De aandacht gaat vooral uit naar de VS, de enige echte militaire supermacht in de wereld. Het onderwerp komt ter tafel juist nu Amerika voorzichtig toenadering zoekt tot het hof. Niet om binnenkort lid te worden, maar om samen te werken in gevallen waarin dat Amerika goed uitkomt.

De VS hebben twee grote bezwaren tegen de voorstellen van de werkgroep: zij vinden de definitie van het begrip agressie te vaag en ze zijn het oneens met de voorwaarden waaronder het Strafhof jurisdictie krijgt. Over dit laatste bestond ook binnen de werkgroep verschil van mening.

Volgens de voorgelegde definitie is agressie „het plannen, voorbereiden, beginnen of uitvoeren van een daad van agressie die in aard, gewicht en omvang een overduidelijke schending van het Handvest van de Verenigde Naties vormt, door een persoon die de feitelijke controle heeft over het politieke of militaire handelen van een staat”. In het Handvest staat dat staten alleen geweld mogen gebruiken uit zelfverdediging, of met een mandaat van de Veiligheidsraad. De Amerikanen vinden de term ‘overduidelijk’ onvoldoende specifiek.

Ingewikkelder is de discussie over de voorwaarden waarop de aanklager een onderzoek mag beginnen. De eerste vraag is of hij personen mag vervolgen uit landen die niet meewerken met het hof, als die misdrijven plegen tegen landen die wel meewerken. De tweede gaat over de rol van de Veiligheidsraad. De vijf permanente leden vinden dat de aanklager pas aan het werk mag als de raad heeft vastgesteld dat er sprake is van agressie. Een groot blok van andere landen waaronder veel Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse, vreest dat de permanente leden dergelijke resoluties met hun veto zullen blokkeren zodra het over henzelf of hun bondgenoten gaat.

Voorkomen dat het Strafhof rechtsmacht over agressie krijgt is „de hoogste prioriteit” van de VS in Kampala, schrijft de Amerikaanse Council on Foreign Relations. De denktank is bezorgd dat bondgenoten van de VS die bij het Strafhof horen niet meer durven deel te nemen aan militaire operaties.

Terwijl de VS bang zijn voor meer juridische controle over hun politieke beslissingen, vrezen juristen dat een grotere rol voor de Veiligheidsraad leidt tot politisering van het hof, dat te allen tijde onafhankelijk en onpartijdig moet zijn. „Dit is niet het juiste moment”, schreef Richard Goldstone, voormalig aanklager bij de tribunalen voor Joegoslavië en Rwanda, deze week in The New York Times. „De problemen die zouden ontstaan zijn munitie voor critici die vinden dat het hof een gepolitiseerd instituut is.”

De voorzitter van de conferentie, de Liechtensteiner Christian Wenaweser, zal proberen een compromis te bereiken waarover alle 111 aangesloten staten het eens kunnen zijn. Een mogelijkheid is het Canadese voorstel dat bekendstaat als ‘jurisdictie à la carte’ waaronder staten de jurisdictie van het Strafhof accepteren. Statenm kunnen dan hun eigen voorwaarden formuleren waaronder ze akkoord gaan met de bevoegdheden van het Strafhof. Veel Afrikaanse staten zijn hiertegen, omdat dan niet meer voor iedereen dezelfde spelregels gelden. Nederland heeft zich voorgenomen zonodig te bemiddelen.

Hoewel de aangesloten staten met tweederde meerderheid een besluit kunnen nemen, is consensus dringend gewenst. Als het op een stemming aankomt ontstaan er immers kampen, terwijl het Strafhof het juist moet hebben van de eenheid tussen de staten die het hof promoten en financieren. Wenaweser zei donderdag „voorzichtig optimistisch” te zijn.

De vier A4-tjes zijn te lezen via nrc.nl/strafhof