Voorbij is de vroegere magie en erotiek van de Oriënt , dankzij fanatieke moslims

Reizen naar de Oriënt waren in literaire kringen in de negentiende eeuw heel gewoon. Nieuwsgierigheid was wat de westerling dreef. Niet oriëntalisme, zoals Edward Saïd wel beweerde. Dankzij het Westen is een schat aan informatie en literatuur over en van de Arabische wereld opgegraven. Nu komt het Oosten naar ons toe in de vorm van haat, agressie en geweld.

Marokkaans-Nederlands schrijver. Won in 2003 de Amsterdamprijs voor de Kunsten. Schreef o.m. ‘De voeten van Abdullah’ (1996, bekroond met de E. du Perronprijs), ‘Een beer in bontjas’: autobiografische beschouwingen (2001, Boekenweekessay), ‘Othello’ (2003, toneel), ‘Paravion’ (2003, bekroond met de Gouden Uil), ‘Het temmen van een feeks’ (2005, toneel) en ‘Spotvogel’ (2009).

De gelukkige dagen dat Arabia Felix, het geurige Oosten, als een oord van erotiek en magie werd beschouwd, zijn definitief voorbij. De Europeanen van de negentiende eeuw die naar de Oriënt reisden om daar beschaving te brengen en seksuele lessen en toverformules mee terug te nemen, hadden een wonderlijk beeld van het Morgenland. Dat was gebaseerd op de sprookjes en De vertellingen van Duizend-en-één-nacht, die vanaf 1704 door Antoine Galland (1646-1715) elegant in het Frans werden bewerkt en het Avondland veroverden. Je zou dit jaartal, 1704, als de geboorte van de Arabische wereld in het Westen kunnen beschouwen, ware het niet dat het Oosten al ruim drie eeuwen eerder door John Mandeville in zijn Reizen als een wonderbaarlijk oord was gepresenteerd. Deze reisverhalen zijn een curieuze combinatie van informatie en fantasie. Mandeville verzint bijvoorbeeld zijn eigen Arabische alfabet (almoy, bethat, cathi…) en maakt van Mohammed (door hem Machomet genoemd) een epileptische prins van Corodan (Cordoba of Khorasan). Daarnaast vertelt hij iets nauwkeuriger over de ‘Mysap’ (een verbastering van ‘mishaf’, boek, Koran) en de beschrijvingen daarin van het paradijs met tien (of tachtig, hij wist het ook niet precies) schone odalisken.

Feitelijke accuratesse doet er hier niet toe. Wie Mandeville leest om iets over exotische oorden te leren, kan net zo goed naar de Noordpool reizen om iets te leren over de Kerstman. Er zijn meer voorbeelden, zoals Piers Plowman van William Langland (15de eeuw), The Canterbury Tales van Chaucer (14de eeuw) en Dante en Boccaccio.

Uiteraard was het de onwetendheid over die gebieden die de verbeelding voedde, maar belangrijker is dat zij ook de nieuwsgierigheid wekte. Verder zou het tijdperk van de rede een behoefte hebben gecreëerd naar het bovennatuurlijke, naar fantastisch escapisme. En verder boden de verhalen ook een beeld waaraan men de eigen zeden en gewoonten kon spiegelen. Schreef Montaigne niet al een essay over de kannibalen zonder ooit een kannibaal te hebben gezien, waarin hij hun antropofagie rechtvaardigde (de eucharistie is niet minder weerzinwekkend dan het eten van lijken) – een cultuurrelativistische visie avant la lettre? Nieuwsgierigheid leidt ook tot zelfreflectie.

Deze mannen in retrospectie betichten van ‘islamofobie’ of van ‘oriëntalisme’ is de zottigheid ten top. Ik gebruik hier de term oriëntalisme zoals die bezoedeld is door overschatte Edward Saïd (1939-2003) in zijn gelijknamige boek. Saïd was geen historicus (het boek bevat vele historische blunders), noch een georganiseerd denker, laat staan een groot denker; hij was een gemankeerde politicoloog en dit boek, dat een eerbiedwaardige en nobele tak van de wetenschap, oriëntalisme, heeft geschaad is een galspuw van een gedesillusioneerde man – gedesillusioneerd door de Zesdaagse Oorlog en door een geloof in de grootheid van een Arabische wereld die een fata morgana bleek te zijn. Waarvoor – hoe kon het ook anders – het Westen verantwoordelijk was.

Saïd zag in de oriëntalisten wegbereiders voor en collaborateurs van het westers imperialisme (vreemd dat het islamitisch imperialisme nooit zo heftig bekritiseerd is). Dat er oprechte interesse was in de archeologische, culturele, linguïstische, antropologische en sociologische aspecten van het Oosten kon hij zich gewoon niet voorstellen. Er moest wel een geopolitieke grondslag zijn. Opvallend is ook dat hij de grote Joodse oriëntalisten (die een Semitische eenheid zochten in de verwantschap tussen Joden en Arabieren) buiten beschouwing laat en de blunder begaat één van de voornaamsten onder hen, Ignaz Godziher (1850-1921), als Duitser te bestempelen, terwijl hij een Hongaar was.

Zijn verbeelding is even dor als zijn stijl. Wat dit betreft vertoont hij hetzelfde gebrek aan nieuwsgierigheid naar het ‘andere’ als de Arabieren vóór hem, die slechts geïnteresseerd waren in gebieden als te veroveren buit. Als de uitkering niet was ontdekt in Europa, was de huidige nieuwsgierigheid van Arabieren ernaar nooit gewekt. Er is een verschil tussen wetenschappelijke nieuwsgierigheid en expansiedrift.

De negentiende-eeuwse antropologen Edward Lane (1801-1876) en Richard Burton (1821-1890) publiceerden beiden een empirische visie op de Oriënt, naast een eigen versie van de 1001 nacht (Lane werkte ook nog aan het helaas onvoltooide en onontbeerlijke Arabic-English Lexicon). De nog steeds boeiende Lane belicht verschillende aspecten in zijn boeken An account of the manners and customs of the modern Egyptians en Arab society in the time of The Thousand and One Nights van de Arabische wereld zoals hij die ervoer en zoals hij deze in Arabische bronnen aantrof – hij citeert uit boeken die nog slechts als manuscript beschikbaar waren. Zijn grote interesse betrof magie, maar hij raakte geschokt door de volgens hem abominabele scènes van de ladies aldaar. Hij, de Victoriaan, vond de Arabische vrouw te vrij en bandeloos en dit is bijzonder ironisch gezien de huidige tijd, waarin vrouwen in een bepaald niet nader te noemen land de schuld krijgen voor het veroorzaken van aardbevingen omdat ze te luchtig gekleed zouden gaan, dat wil zeggen niet ingepakt als een postzak.

Burton ging vermomd als Indiase moslim naar Mekka en Medina om de heiligdommen en rituelen nauwkeurig te beschrijven. Hij ging ook voor de seks, en kwam wat dat betreft goed aan zijn trekken. Hij was zo onder de indruk van de seksuele behendigheid van de Oosterse vrouwen (allen prostituees natuurlijk) en van de erotologische verhandelingen, waarvan hij er twee vertaalde, dat hij ervoor pleitte seksuele lessen voor Engelse jongens op school te introduceren om ze te leren hoe een vrouw te bevredigen. Een nobel streven, niet? Zoals hij schreef: „Wij hebben de beste vrouwen van de wereld, maar we weten niet hoe we ze moeten gebruiken.” De titaan Burton (die ik hogelijk bewonder) was bevriend met de masochistische dichter Algernon Swinburne (1837-1909), die ik eveneens bewonder (vermeldenswaard is dat hij Markies de Sades De 120 dagen van Sodom het meest grappige boek was vond dat hij ooit las: „Ik kon niet stoppen met lachen!”). Het moet een genoegen zijn geweest om Burton met robuuste humor te horen vertellen over de fellahs, Egyptische boeren, die aan de Nijl seks hadden met wijfjeskrokodillen. Of het waar is – wat ik betwijfel – doet er niet toe.

Zulke onderwerpen beperkten zich niet alleen tot besmuikte gesprekken van Victoriaanse heren. In de 20ste eeuw vermeldde Paul Bowles, een Amerikaanse schrijver die in Marokko bleef nadat hij verliefd was geworden op de stilte van de woestijn (de cannabis en knaapjes hebben zeker ook meegespeeld), in zijn autobiografie dat hij in Marrakech een man in een geit heeft zien veranderen. De geit is overigens een zinnebeeld voor wellust. En Martin Scorsese gebruikte in The Last Temptation of Christ Marokko als een achtergrond van barbarij, bloed en seks – en het werkt wonderwel, omdat de islam ontegenzeggelijk heidense trekken heeft, denk aan de rondgang om een stenen kubus en het stenigen van de duivel in de vorm van een pilaar (die mij doet denken aan de monoliet uit 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick).

De overgang van een oord van magie en erotiek en wonderen naar een oord van fanatisme, terrorisme en onderdrukking is een overgang die te betreuren valt. Als ik een Arabier was dan wist ik het wel.

En nu het Oosten naar ons toekomt, wat brengt het ons? Ik heb hier slechts luttele voorbeelden genoemd van een bijzonder rijke en onontbeerlijke schat aan informatie en literatuur over en van de Arabische wereld, die dankzij het Westen is opgegraven. Zonder de inspanningen van deze westerse wetenschappers zou zelfs de Arabische wereld de eigen geschiedenis en culturele erfgoed niet kennen – en ik overdrijf niet. Als Napoleon Egypte niet in 1798 was binnengevallen, dan had het nóg langer geduurd voordat de Arabische wereld de drukpers had ontdekt.

Het enige wat het Oosten ons nu brengt, op een monomanische en nietsontziende manier, is een fenomeen dat we kunnen missen als een natuurramp: de islam. (Vergelijk dit met de regenbogen van de oriëntalistiek.) In de vorm van moskeeën en iftars, congressen en haat, megafoongeschreeuw en gedreig, geweld en agressie en een verlangen naar de sharia en… (verder zelf invullen). De islam denkt een eindfase te zijn in een ontwikkeling die een ethisch réveil in het Westen kan teweegbrengen. De islam is echter een wankel stadium in een ethisch en cultureel réveil dat het Westen allang heeft doorgemaakt en achter zich heeft gelaten. En als de islam – o nachtmerrie – het eindstation is, dan zou ik zeggen: sauve qui peut!

De Zweedse cartoonist Vilks werd aangevallen en een van de schreeuwende moslims riep: „Dit is ook ons land!” Dit is precies de bezettingsreflex die moslims de Israëliërs kwalijk nemen. Moslims maken een gastvrij land niet het hof, zij annexeren het. Wanneer is een land van een bepaald bevolkingsdeel? Als het generaties lang een opbouwende bijdrage levert, een economische groei, een verbreding van de einders. Wanneer de wortels endemisch zijn geworden en niet overgeplant. En waarom voelt het pas een eigen land wanneer er stennis kan worden geschopt?

Het dieptepunt is bereikt met het voornemen twee moskeeën te planten bij Ground Zero. Dit laatste moet volgens de initiatiefnemers beschouwd worden als een ‘handreiking’ van ‘gematigde moslims’ naar Amerika. De enige handreiking zou zijn om van de plannen af te zien en begrip te tonen voor de grieven van de tegenstanders, maar daar is de islam nooit goed in geweest en dit halsstarrige gebrek aan empathie is onmenselijk. Dan weigeren we maar de uitgereikte hand, want ik durf te wedden dat het de linkerhand is en we weten waar moslims die hand voor gebruiken.