Van links naar rechts en andersom

Het Nationaal Kiezersonderzoek vraagt het al veertig jaar: wat heeft u gestemd?

Noem ze geen opiniepeilers, de onderzoekers van het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO). Ze beschikken over bewijs dat ze beter zijn. Sinds 1971 komen na Kamerverkiezingen medewerkers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, aangestuurd door wetenschappers aan alle universitaire faculteiten politicologie in Nederland, met een verzameling vragen bij respondenten thuis. Eén van die vragen, de meest voor de hand liggende: wat heeft u gestemd?

“De score is brandschoon”, zegt Hans Schmeets van het CBS.

En inderdaad, in 2006 had het NKO de verkiezingsuitslag helemaal goed, op één zetel na. Dat is voor commerciële peilers als Synovate, Maurice de Hond en TNS Nipo een ongekende score, zelfs bij peilingen die zij op verkiezingsdag houden, buiten voor de stembureaus, de zogenoemde exit-polls.

3000 DEUREN

Die correcte uitslag van het NKO is niet gratis. De Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) heeft inmiddels miljoenen euro’s uitgegeven om de onderzoekers telkens langs zo’n 3000 deuren te laten gaan.

Maar dan heb je ook wat. Want stemvoorkeur is niet de enige vraag in het NKO. Behalve de bekende karakteristieken als leeftijd, afkomst en opleidingsniveau vragen de onderzoekers onder meer naar het beroep van de vader, gezinsgrootte, huisdiervoorkeur, geloof, aantal werkuren per week en ‘self image of social class’, om maar eens enkele van tientallen kwalificaties te noemen. En de antwoorden zijn allemaal te kruisen met partijvoorkeur.

Om het draagvlak voor dit dure, omvangrijke onderzoek te vergroten, hebben de betrokken wetenschappers beloofd zo nu en dan een tipje van de sluier op te lichten voor een breed geïnteresseerd publiek. Het vorige week verschenen Dutch Parliamentary Election Studies is een niet bijzonder geslaagde poging daartoe: het is een boek vol cijfers. 264 pagina’s louter data.

Maar toch. Wie de moeite neemt door talloze rijen vrij betekenisloze (want niet gekruiste) getallen te ploegen, stuit op interessante conclusies. Zo blijkt het verloop onder het Nederlandse electoraat van links naar rechts en andersom in de laatste vier decennia opvallend klein. Ondanks alle versplintering in het politieke landschap en het toenemende belang van andere dimensies dan die van links naar rechts, blijken verkiezingen uiteindelijk nauwelijks meer dan een herordening van de zetels ter linker- en rechterzijde van het politieke spectrum. Pas bij de komende Kamerverkiezingen is het ingewikkelder: Want waartoe behoren PVV en D66 vandaag de dag?

En dan de groeiende politieke ontrouw van de Nederlandse kiezer. Die blijkt nog groter dan de commerciële bureaus al hebben aangetoond. In 1971 zei 10 procent pas in de laatste dagen besloten te hebben op welke partij te gaan stemmen. In 2006 was dat percentage 35 procent. Het percentage dat als antwoord geeft ‘in de laatste weken voor de verkiezingen’ is zelfs gestegen tot boven de 50 procent.

OVERWEGINGEN

Dat roept een vraag op. De commerciële opiniepeilers blijken verkiezingsuitslagen niet exact te kunnen voorspellen, oké, maar ze naderen de uitslag wel op enkele zetels na. Kortom, besluiten kiezers pas op de dag van de verkiezingen VVD te stemmen – zie NKO – terwijl ze een maand eerder al zeiden van plan te zijn VVD te stemmen? “Ja, dat kan”, zegt Kees Aarts, hoogleraar politicologie en voorzitter van de stichting die het NKO uitvoert. Tegelijk noemt Aarts dit een goed voorbeeld waar wetenschappers “ook eerlijk moeten vertellen” dat vragen naar overwegingen niet altijd de beste antwoorden geeft.

Een recent voorbeeld daarvan leverde de Amerikaanse tv-zener CBS, dat in peilingen vond dat 59 procent van de Amerikanen van mening is dat “homoseksuelen” in het leger mogen dienen, terwijl 70 procent van diezelfde Amerikanen in dezelfde peiling “gay men and lesbians” tot het leger wilde toelaten.

Vragen bepalen tot op grote hoogte de antwoorden. Zo stelde het NKO vanaf 1971 de vraag: vindt u dat de inkomensverschillen kleiner moeten worden, of moeten ze gelijk blijven? Aarts: “Het kwam toen nog niet in ons op te vragen of mensen die inkomensverschillen ook wilden vergroten.”

In de jaren tachtig ontstond een ander maatschappelijk klimaat. “We besloten toen ook naar de wens tot inkomensverhoging te vragen.” Wat bleek? Met die extra mogelijkheid bleken de antwoorden op de andere twee opties weer volkomen anders te liggen. Aarts: “De moeilijkheid bij het bepalen van onze vragen is altijd: wat willen wij over twintig jaar weten over deze tijd?”

DRIJFZAND

Nog iets opvallends. Zo blijkt het vertrouwen in de Nederlandse politiek sinds 1971 niet gedaald. Ook niet in de NAVO, de politieke partijen of in elkaar, het zogenoemde ‘sociaal vertrouwen’. Onderzoeker Schmeets constateerde op het symposium ter viering van de presentatie van het boek dat “alle opiniestukken die uitleg proberen te geven aan de ontwikkeling van een ‘high trust society’ naar een ‘low trust society’ of drijfzand zijn gebouwd.” Het vertrouwen blijkt wel opvallend sterk te correleren met opleidingsniveau: hoe meer mensen weten, hoe groter het vertrouwen in instituties. En in elkaar.

“Dat kan allemaal zo zijn”, reageerde toen Ank Bijleveld (CDA), de staatssecretaris die verantwoordelijk is voor de organisatie van de Kamerverkiezingen. “Maar toch vind ik het zorgelijk dat steeds minder mensen naar de stembus gaan.” Kees Aarts komt haar tegemoet: “We moeten als wetenschappers überhaupt oppassen om in de samenleving levende ideeën te makkelijk naar de prullenbak te verwijzen omdat ze niet direct stroken met onze cijfers.” Hij noemt als voorbeeld de ‘poppetjes’ in de politiek. Op basis van de gegevens van het NKO schreven Leidse politicologen dat het belang van personen in de politiek enorm wordt overschat. Hun conclusie: mensen stemmen nog altijd op partijen en ideeën, niet op personen. Dat nagenoeg alle partijposters in deze campagne een portret van de lijsttrekkers bevatten, is gebaseerd op een wijdverspreide maar verkeerde vooronderstelling. Aarts: “Dit is een moeilijke kwestie. Want het is natuurlijk niet zo dat heel Nederland gek is en wij politicologen niet. Als het idee dat mensen op personen stemmen zo hardnekkig is, komt er een moment dat wij ons moeten gaan afvragen: kennelijk deugen onze meetinstrumenten niet.”

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In de Wetenschapsbijlage van vorige week (29 mei) is door een technische fout een deel van de laatste kolom niet goed gedrukt. Op www.nrc/wetenschap is het stuk daarom in zijn geheel nog een keer geplaatst. Redactie Wetenschap