Tijd om op te staan

Is innovatie te sturen? En hoe kan onderzoek bijdragen aan de economie? Een gesprek met innovatiespecialist Eppo Bruins en de start van een serie over jonge bedrijven die iets nieuws hebben bedacht. Margriet van der Heijden

Weet je wat het is? Als een politieke partij vier miljard euro in innovatie wil steken, dan zit zo’n partij meteen met een gat van vier miljard in de begroting. De berekeningen van het Centraal Plan Bureau houden geen rekening met de opbrengsten van innovatie. Dat investeringen in innovatie zich drie tot zeven keer uitbetalen, zit gewoon niet in de rekenmodellen. En ja, welke partij stopt dan zo’n kostenpost in zijn programma?”

Fysicus Eppo Bruins is directeur van Technologiestichting STW die jaarlijks van de overheid 70 miljoen euro krijgt om wetenschap en bedrijfsleven met elkaar in contact te brengen en om toegepast wetenschappelijk onderzoek te stimuleren.

Bruins heeft ook een uitgesproken mening over hoe je innovatie kunt stimuleren en de kenniseconomie kunt bevorderen, zo blijkt tijdens een gesprek in een hotel in Alphen aan den Rijn.

Maar eerst hebben we het over wat al jaren zorgelijk wordt aangeduid als de ‘innovatieparadox’. Die bestaat eruit dat Nederlandse wetenschappers erg productief zijn en heel vaak geciteerd worden – ze staan daarmee in de wereldtop – maar dat er tegelijk juist heel erg weinig (technisch) wetenschappelijke kennis doordringt tot bedrijven in Nederland.

Bruins gelooft niet in de kennisparadox. “Het is een mythe”, zegt hij. “Volstrekte onzin.”

Toch staan in de onlangs verschenen Kennis Investerings Agenda (KIA) van het Innovatieplatform vrijwel alle seinen op rood voor ‘innovatief ondernemerschap’. Of het nu gaat om bedrijfsinvesteringen in R&D (Research & Development), om samenwerking tussen het midden- en kleinbedrijf (MKB) en kennisinstellingen of om de Nederlandse houding ten opzichte van ondernemers: Nederland blijft achter bij zijn eigen doelstellingen en bij de rest van de welvarende wereld.

Die cijfers uit het kia-rapport wijzen toch op een probleem?

“Jazeker, en als je kijkt naar ondernemerschap en bedrijvigheid valt er ook veel te verbeteren. Maar de innovatieparadox vat dat veel te ongenuanceerd samen. Als je die paradox simpel interpreteert, en dat gebeurt vaak, dan lijkt het alsof wetenschappers zich in een ivoren toren opsluiten. Alleen onderzoek doen waar niemand wat aan heeft. Contacten met de buitenwereld mijden. En dat bestrijd ik.”

Ze staan wel open voor samenwerking?

“Oh ja. Wij zijn een klein en hecht land waarin wetenschappers en bedrijven uit een bepaalde tak van onderzoek elkaar allemaal kennen. De grote R&D-laboratoria, (zoals van Unilever, ASML of SHELL) weten precies bij welke Nederlandse wetenschappers ze kennis kunnen halen.”

Waar komen dan die cijfers vandaan?

“Waar het misgaat, is aan de andere kant. We hebben bijvoorbeeld in Nederland relatief veel lowtech-bedrijven. Die haken niet in op de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen, maar dat heeft niks te maken met de vraag of wetenschappers goed zijn in het overdragen van kennis.”

En vervolgens wijst men ten onrechte naar de wetenschappers, vindt u?

“Precies. Terwijl Nederlandse universiteiten relatief juist veel contractonderzoek uitvoeren dat gefinancierd wordt door bedrijven en we behoorlijk veel publiek-private samenwerking (zoals bij TNO, red.) hebben. Bovendien hebben we, gerekend voor elke miljoen in onderzoek geïnvesteerde euro’s, meer jonge startende bedrijfjes dan vrijwel alle andere landen ter wereld. We zijn kampioen academische start-ups.”

Maar je hoort zelden dat die uitgroeien tot grote bedrijven.

“Er komt geen nieuwe Philips uit voort, nee. Maar dat ligt ook aan de maatschappelijke inbedding. Aan alle regels die we hebben, bijvoorbeeld op het gebied van ontslagrecht. Jonge bedrijven moeten flexibel zijn, kunnen groeien maar ook, vaak tijdelijk, kunnen krimpen. Dat is hier lastig.”

U zou dat liever anders zien?

‘Daar laat ik me niet over uit. Wij hebben gekozen voor een ander systeem dan het harde kapitalisme van de Verenigde Staten, en die keuze brengt ook voordelen mee. Ik vind alleen dat, als je zo’n keuze maakt, je daarna ook moet ophouden om jezelf steeds aan de VS te spiegelen. Om je de bedrijven in Silicon Valley ten voorbeeld te stellen. Volgens mij kun je je er dan beter op instellen dat innovatie hier nu eenmaal anders verloopt en dus niet via snelgroeiende bedrijven.”

Hoe wel?

“Je ziet rond de universiteiten allerlei netwerken ontstaan van bedrijven die nauw met die universiteiten samenwerken. Neem het Brainport bedrijvenpark van de Technische Universiteit Eindhoven, YES!Delft van de TU Delft, het bedrijvenpark rond de Universiteit Twente of het BioScience Park in Leiden. Allerlei kleine bedrijven vind je daar, van enthousiaste jonge mensen die innovatieve dingen doen waar ze erg goed in zijn.”

In hoeverre dragen die bij aan de economie?

“Niet veel als het gaat om werkgelegenheid. Maar kijk nou eens naar de cijfers.” Bruins kijkt als een docent. “De meeste mensen in Nederland, ongeveer 70 procent, werken in de dienstensector. Het merendeel van die mensen, ook weer 70 procent, werkt daar in de non-profitsector. Dat levert dus geen geld op. Dat kost geld. Ofwel: daar hou je ons land niet drijvend mee.

“En kijk nu eens naar de exportsector. Ongeveer 70 procent van onze export komt uit de maakindustrie, grotendeels uit de hightech. We kunnen dus wel heel hard roepen dat we een handelsnatie zijn en een diensteneconomie, maar we verdienen intussen ons geld met het maken van complexe producten. Ofwel: we zullen nu eens moeten begrijpen dat we dingen moeten blijven maken, moeten blijven uitvinden, als we dit land op zijn poten willen houden.”

Dan kom ik terug op uw opmerking over regels. Als er één terrein is waarover richtlijnen en rapporten worden uitgestrooid, waarvoor agenda’s, kompassen en regels worden ontwikkeld dan is het wel innovatie…

Bruins grijpt naar zijn hoofd en grijnst. “Schrijf nu maar op: Bruins grijnst en buigt het hoofd”.

U ergert zich aan al die regelzucht?

“Nou, de gedachte achter het Innovatieplatform was heel goed. Wij zijn een klein land. We kunnen niet alles. Dus is het verstandig om keuzes te maken. Dat wil zeggen: als het gaat om wetenschappelijk onderzoek denk ik dat je juist breed moet investeren in kennis. Maar op het gebied van innovatie denk ik dat je scherp moet kiezen op economische gronden. En dan heb je ook een instantie nodig die dat op nationaal niveau coördineert. Maar intussen is dat idee zo verwaterd dat alle aangewezen ‘sleutelgebieden’ en maatschappelijke innovatieagenda’s samen weer de volle breedte van het innovatieve onderzoek bestrijken.”

Kun je innovatie wel sturen?

“Innovatie is onvoorspelbaar. Dat blijkt ook uit de utilisatierapporten die STW elk jaar maakt en waarin de voortgang staat van alle projecten die nu, of vijf of tien jaar geleden STW-geld hebben gekregen. Daar zitten grote successen bij, maar ook mislukkingen: mooie wetenschap, maar géén product als resultaat. Juist dat gebrek aan ‘maakbaarheid’ maakt het natuurlijk ook zo lastig voor de overheid: het is lastig te verdedigen dat je geld stopt in projecten die kunnen mislukken.”

Is er een manier om innovatie in elk geval te stimuleren?

“Ja, volgens mij is het geheim om inhoudelijk betrokken mensen, uit de wetenschap, uit de technologiesector en uit het bedrijfsleven, bij elkaar te brengen. Zo werken we ook bij STW: onze 20 beleidsmedewerkers hebben een netwerk waarin 700 wetenschappers en 1350 bedrijven zitten. Die laten we elkaar ontmoeten op inhoudelijke gronden.

“Dat is dus heel wat anders dan een pot geld boven het veld houden en zeggen: kom maar op. Dan trek je mensen aan met dollartekens in hun ogen. En het is óók heel wat anders dan steeds maar van bovenaf vertellen hoe het moet. Laat het initiatief uit het veld zelf komen.”

Gelooft u dat Nederland, zoals het kabinet zich ten doel heeft gesteld, nog in de top-5 van de kenniseconomieën zal komen?

“Dan zullen we toch heel ander gedrag moeten gaan vertonen. Meer investeren in onderzoek. Meer investeren in innovatie. Het klimaat voor ondernemers aantrekkelijker maken. Talentvolle mensen die risico’s nemen veel meer koesteren. Én ervoor zorgen dat buitenlandse werknemers zich hier meer welkom voelen, zodat ook buitenlandse bedrijven hier hun R&D-laboratoria willen vestigen.”

Dat is een hele lijst.

“Ja, maar we zijn ook een ingedut land.”

Sombere woorden om mee te eindigen.

“Laat me dan zeggen: een gemakzuchtig land.”

Niet veel beter…

“Nee, maar vergeet niet dit: in China promoveren elk jaar ruim 100.000 ingenieurs. In Nederland 800. Als we willen blijven meedraaien dan móéten we wel met goede nieuwe ideeën komen. Het is tijd om op te staan uit onze gemakkelijke fauteuil.”