'Tegenwoordig klaagt men over van alles en nog wat'

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens krijgt vandaag in Middelburg de Four Freedoms Award. Gesprek met de Nederlandse rechter Egbert Myjer. ‘Ik ben in mijn werk altijd een beetje een zondagskind geweest, maar dit slaat alles.’

Dat treft! „Na afloop van het interview: koninginnedagreceptie, hier vlakbij. Ik neem u mee”, kondigt mensenrechter Egbert Myjer aan, „tenzij u andere plannen hebt.”

Paviljoen Joséphine in Parc de l’Orangerie in Straatsburg ligt er deze zonnige namiddag uitnodigend bij. „Hollandse haring en worstenbroodjes, daar komt iedereen op af”, weet ‘onze’ rechter in de Franse stad.

Egbert Myjer – joviaal , tikkeltje gezet, lintje op zijn revers en fervent pijproker, maar nu even niet – kent ze bijna allemaal. Een hartelijke begroeting hier, een rake kwinkslag daar, of een vileine vraag aan een Nederlandse ambtenaar: „A propos, klopt het dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de conceptnota van Buitenlandse Zaken over de Nederlandse mensenrechtenstrategie zelfs niet werd genoemd ?” (Antwoord: ja)

Sinds eind 2004 is Egbert Myjer (62) rechter in Straatsburg. Met zijn collega’s – één uit elk van de 47 landen die meedoen aan het Europese mensenrechtenverdrag EVRM – wikt en beschikt hij in hoogste instantie over de uitleg van dit Verdrag en fungeert hij als scherprechter in morele en godsdienstige kwesties als: waar gaat (het recht op) vrijheid van meningsuiting over in haat zaaien en mag het dragen in het openbaar van een boerka worden verboden?

Voor dit werk krijgt het Hof vandaag in Middelburg de Four Freedoms Award uitgereikt, een prestigieuze prijs die is vernoemd naar de vier vrijheden die de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt in januari 1941 muntte: vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van vrees. Eerdere winnaars in Middelburg waren Richard von Weiszäcker, Mohammed-el-Baradei, Kofi Annan en Nelson Mandela.

De prijs is dit keer erkenning én waarschuwing tegelijk. Want welbeschouwd verkeert het Hof in grote moeilijkheden. Elke maand komen er 1.500 tot 1.800 klachten binnen over schendingen van mensenrechten. Een toestroom die het Hof niet aankan. De achterstand in de afhandeling is inmiddels opgelopen tot meer dan 125.000 klachten. Waardoor de paradoxale situatie is ontstaan dat processen in Straatsburg vaak langer duren dan het Hof zelf voor strafzaken in lidstaten ‘redelijk’ acht.

Myjer mag Nederlandse bezoekers graag attenderen op de tramhalte pal voor de deur van het Hof: ‘Droits de l’Homme’, met daarboven ‘Direction Baggersee’. Binnen, in zijn werkkamer op vijf hoog met uitzicht op het Zwarte Woud, noemt hij de situatie „rampzalig”. Op zijn bureau en in kasten liggen de dossiers met lopende zaken hoog opgetast.

Waar komt die lawine aan klachten vandaan?

„Het is een combinatie van veel factoren. Vrij nieuw zijn de talloze vreemdelingen die dreigende uitzetting aanvechten. Maar de belangrijkste oorzaak is dat sommige nieuwe landen, die na de val van de Muur in 1989 tot het Verdrag zijn toegetreden, niet hebben gedaan wat ze beloofd hebben. Daardoor krijgen we veel klachten die als twee druppels water lijken op eerdere zaken, de zogenoemde kloonzaken. In het Verdrag beloven de regeringen dat ze ervoor zullen zorgen dat ze bij een veroordeling maatregelen zullen treffen om te voorkomen dat zoiets opnieuw gebeurt. Maar dat doen ze vaak niet. Dus komen er nieuwe klachten. Over mensonwaardige omstandigheden in gevangenissen, bijvoorbeeld, of over de lange procesduur.”

Ze trekken zich weinig of niets van de uitspraken van het Hof aan?

„Soms kun je die vrees hebben, al moet je ook onderkennen dat de problemen gigantisch kunnen zijn.”

Tegen Rusland liggen inmiddels meer dan tweehonderd veroordelingen wegens schendingen van het Verdrag die niets hebben uitgehaald. Dat lijkt obstructie?

„Rusland wil zich op een heleboel terreinen best wat van het Hof aantrekken. Alleen als het gaat over Tsjetsjenië (klachten over gebruik van buitensporig geweld tegen burgers door het Russische leger in de strijd tegen Tsjetsjeense separatisten, red.), dan heeft Moskou instinctief iets van: afblijven, wat wij daar doen beschermt niet alleen onszelf, maar heel Europa en daar moeten jullie niet zo kritisch over doen.”

Kun je uitspraken zo gemakkelijk negeren?

„Eén ding is duidelijk: het toezicht op de naleving van onze arresten ligt niet bij ons – dat hebben de politici indertijd bewust bij zichzelf willen houden. Dat is, hoe je het ook wendt of keert, het systeem van het Verdrag. Het zijn de regeringen die elkaar moeten aanspreken op de naleving. En ja, soms maken die de afweging dat het politiek belangrijker is om een land erbij te houden dan prompte uitvoering van onze uitspraken te eisen.”

Is dat voor u als hoogste rechter niet buitengewoon frustrerend?

„Soms wel, maar de lidstaten hebben onlangs allemaal plechtig beloofd dat ze de supervisie op de executie van onze arresten serieuzer zullen nemen. Daar klamp ik me maar aan vast.”

U hebt net bijgetekend tot eind 2013.

„Een buitenkans. Ik heb het hier geweldig naar mijn zin. Ik ben in mijn werk altijd al een beetje een zondagskind geweest, maar dit slaat alles. Het doet er toe en het is uiterst divers.”

Egbert Myjer werd geboren in Arnhem. Zijn vader was beroepsofficier. Op zijn vierde verhuisde het gezin naar Den Haag. Zijn vader studeerde na diens afzwaaien alsnog rechten en haalde ook zijn bul. Iets van diens fascinatie voor rechten moet hij aan zijn kinderen – Egbert is de oudste van drie – hebben meegegeven, want alledrie werden beroepsjurist.

Hij doorliep het St. Aloysius College van de paters jezuïeten. Vanaf zijn zestiende ging hij vaak naar de publieke tribune van de rechtbank aan de Jan van Nassaustraat. „Voor mij stond toen al vast: ik wil rechter worden.” Daarop terugkijkend noemt hij zichzelf „een regelrechte nerd” van wie „de braafheid afdroop”. Toen hij bijna was afgestudeerd in Utrecht haalde zijn hoogleraar strafrecht, Toon Peters, hem over níet de rechtersopleiding te doen, zoals hij van plan was, maar zich te specialiseren in mensenrechten.

Myjer werd wetenschappelijk medewerker in Leiden en een van de eersten in Nederland die zich verdiepten in mensenrechten. Pionierswerk dat hij omschrijft als „zó hectisch en spannend, dat ik slechts heb nagelaten te voltooien waar het om begonnen was: het schrijven van een proefschrift”. In werk van langere adem, werd hem duidelijk, lag zijn kracht niet. „Een heel boek, en dan ook nog over één onderwerp, daar heb ik beslist moeilijkheden mee. Eigenlijk ben je meer een zeepkistprediker, meende mijn hoogleraar Fred Melai. Daar had hij wel een punt.”

Hij keerde terug naar zijn eerste liefde, de rechterlijke macht. Rechter in Zutphen, advocaat-generaal in Den Haag en hoofdadvocaat-generaal in Amsterdam. „Toen er in 2004 een vacature kwam voor Nederlandse rechter in Straatsburg keek ik eens om me heen en voelde ik zeker niet kansloos te zijn.” Zoon en komiek Jochem noemt het de „slagroom op de carrière van mijn vader”. Die spreekt zelf van een „droombaan”: „Als je ziet dat je af en toe onrecht kunt keren of alsnog goed kunt maken, dan weet ik dubbel waarom ik hiervoor gekozen heb.”

„La Court!”, schalt de bode door de grote zittingszaal. De ongeveer 150 belangstellenden op de publieke tribune, veelal studenten, staan even op. Zeven rechters, twee plaatsvervangers en hun griffier schrijden binnen. Ze nemen plaats achter een immense halfronde toonbank. 31 stoelen blijven leeg. Op de rol staat de hoorzitting in de zaak ‘Farças tegen Roemenië’. Het is de laatste kans voor partijen om hun zaak, na een lange schriftelijke aanloop, te bepleiten. De gehandicapte Farças klaagt dat Roemenië overheidsdiensten die over zijn uitkering gaan, huisvest in gebouwen waar hij niet in kan.

„Een mooie zaak met vele interessante facetten”, zegt Myjer later. Van zulke zaken krijgt het Hof – dat in wisselende formatie van drie, zeven of vijftien rechters opereert – er verhoudingsgewijs weinig. Meer dan negentig procent van alle klachten wordt niet-ontvankelijk verklaard. Daaronder veel, wat Myjer noemt, ‘flutzaken’. Zoals van die Italiaan die de staat aanklaagde wegens schending van het recht op gezinsleven (art 12 EVRM), omdat hij maar geen vrouw kon vinden en de overheid tevergeefs had verzocht een blondine te regelen. Of de ‘zweetvoetenman’, die klaagde dat hem de toegang tot de openbare bibliotheek in Delft was ontzegd, omdat hij zijn schoenen uittrok en een akelige geur verspreidde.

„Elk jaar krijgen we mensen die klagen dat ze alweer de Nobelprijs voor de Vrede niet hebben gekregen. En pas geleden nog een meneer die Nederland aanklaagt met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur met de mededeling: ik wil het dossier inzien waarin mijn lintje is afgewezen. Ja, hallo … Wij hebben het over fundamentele rechten, over recht op leven, over het verbod op marteling, over recht op een eerlijk proces, op privacy. … Maar recht op een koninklijke onderscheiding? Kom nou toch. Val ons daar in godsnaam niet mee lastig.”

Waarom neemt het Hof zulke klachten dan in behandeling?

„Omdat ons individuele klachtrecht een groot goed is. Uniek in de wereld. Laat de drempel alstublieft laag. Het is belangrijk dat mensen betrekkelijk gemakkelijk hierheen kunnen komen. Maar ik vind ook: denk nog een keertje goed na voordat je je klacht opstuurt.”

Dat doet men onvoldoende?

„Vroeger was het niet zo erg, maar tegenwoordig klaagt men echt over van alles en nog wat. Het lijkt wel of men hoe langer hoe intoleranter wordt. Heel vaak proef ik ook iets van: baat het niet, het schaadt ook niet. En ook van: je weet maar nooit hoe een koe een haas vangt. Maar alles wat hier binnenkomt moet wel door rechters gelezen en beoordeeld worden. Dat kost veel tijd en die kunnen we beter aan serieuze klachten besteden.”

Hoe wilt u ze buiten de deur houden?

„Eigenlijk moet je ze gewoon vragen: als u nu hoort dat uw buurman, die u niet zo graag mag, zo’n klacht indient in Straatsburg, wat zegt u dan? Natuurlijk, dat moet hij doen!, of: is hij nou helemaal belazerd! En als u dat zegt van uw buurman, dan moet u het ook tegen uzelf zeggen. Klagers hebben de burgerplicht het Hof niet onnodig te belasten, en hun raadslieden al helemaal.”

Myjer wil het gerechtsgebouw wel even laten zien. In de bibliotheek leidt hij ogenschijnlijk achteloos langs een rek boordevol tijdschriften om opeens trots uit te roepen: „Kijk, daar liggen wij!”. ‘Wij’ dat is het NJCM-Bulletin, dat hij in 1976 mede oprichtte en waarvan hij meer dan 28 jaar in de redactie zat. Talloze bijdragen. Een vaste rubriek over ‘Strafrecht en mensenrechten’. En menig commentaar waarin hij Mao voor de laatste keer liet waarschuwen.

Toen hij er 25 jaar inzat verzamelde de redactie opstellen van familie, vrienden en kennissen. „Egbert is voor ons niet alleen een inhoudelijke topper, maar ook onze nestor, onze pater familias, onze Godfather”, schreven de samenstellers. Het resultaat werd een „schaamteloos eerbetoon”. Gekscherend zeiden mederedacteuren: de enige manier om van jou af te komen is te zorgen dat je wordt benoemd in Straatsburg. Maar toen dat zover was, hield hij toch een rubriek: ‘Straatsburgse Myj/meringen’ over zijn beslommeringen in het Hof.

Kritiek uiten de achterblijvers als ‘EM’ bij zijn aantreden in Straatsburg in 2004 zegt, dat Nederland het „voorbeeldig” doet bij de bescherming van de rechten van de mens. Ze noemen zijn uitlatingen „in menig opzicht zelfs letterlijk behoudend”. „De ooit activistische redacteur lijkt ineens te zijn veranderd in een prudent magistraat die geen aanleiding wenst te geven tot enige vorm van internationale wraking of verschoning.”

Recentelijk deed hij opnieuw hun wenkbrauwen fronsen in een zaak van de zigeunerin María Luisa Muñoz Díaz, met zes kinderen, tegen Spanje. Ze kreeg na het overlijden van haar man geen weduwenpensioen, omdat ze niet volgens de Spaanse wet was getrouwd. Ze was wel volgens de ‘zigeunerwet’ getrouwd, maar dat telde niet volgens de regering. Het Hof honoreerde de klacht van de vrouw en keurde de Spaanse pensioenweigering af. De enige rechter die tegen stemde, was Egbert Myjer.

Waarom?

„Een land mag zelf bepalen op welke manier geregeld wordt of je getrouwd bent. Deze meneer en mevrouw waren alleen volgens de zigeunerriten getrouwd en niet in het echt. Dat is hun eigen keuze en de gevolgen daarvan zijn hun eigen verantwoordelijkheid. Dan moeten wij hen niet kunnen laten denken dat ze eigenlijk wel getrouwd waren volgens de Spaanse wet. Daar moeten wij buiten blijven.”

Bent u voorzichtiger geworden?

„Ja. Zolang je niet de eindverantwoordelijkheid draagt, is het veel gemakkelijker een verlanglijstje te maken. Als rechter in Zutphen wist ik dat ik altijd nog het gerechtshof en de Hoge Raad als beroepsinstanties achter me had. Dan kun je iets uitproberen. Maar hier ben ik de laatste rechter. Wat hier gezegd wordt, heeft geweldige impact. Dan móet je heel voorzichtig zijn en beseffen dat wenselijke rechten niet hetzelfde zijn als fundamentele rechten. Dikwijls moet je zeggen: luister eens, het is heel zielig wat er met u is gebeurd, maar dat is onvoldoende om te spreken van een schending van het Verdrag. Wij zijn er niet om alles wat onwenselijk en zielig is op te lossen.”

Hoe doet Nederland het nu?

„In het algemeen vrij goed. Maar er zijn ook problemen. Zo komen er nogal wat zaken aan van gevluchte oud-officieren van de Afghaanse inlichtingendienst die zeggen dat ze in Afghanistan vervolging wegens oorlogsmisdaden riskeren, maar die volgens Nederland desondanks niet in aanmerking komen voor asiel. Nederland stelt: als wij het idee hebben dat iemand in zijn land van herkomst ernstige misdrijven heeft gepleegd, dan kan hij hier niet blijven. Daarin is Nederland misschien wel het strengst van alle Europese landen. Daarnaast baren de vele zogenoemde Dublin-2-zaken, overigens niet alleen uit Nederland, grote zorgen. Binnen de Europese Unie is afgesproken dat vreemdelingen in beginsel asiel moeten aanvragen in het eerste land waar ze de Unie binnenkomen. Vaak is dat Griekenland, maar niemand wil worden teruggestuurd naar Griekenland, want, zeggen ze, dan worden we zonder enige procedure de grens over gezet of op straat geschopt. Daar zijn schrijnende verhalen en rapporten over, die de conclusie lijken te wettigen dat het verstandig zou zijn als de EU daarin orde op zaken stelt.”

PVV-leider Geert Wilders wil naar uw Hof stappen als hij wordt veroordeeld wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot haat en discriminatie. Hoe kijkt u daar tegenaan?

„De grens bij vrijheid van meningsuiting voor politici ligt bij oproepen tot geweld en bij haatzaaierij. Vervolgens moet je dan uitmaken wat je daaronder verstaat en als daar dan een sanctie op volgt, komt als vervolgvraag: is die sanctie proportioneel? Vorig jaar en nog onlangs heeft het Hof in uitspraken over respectievelijk de Waalse parlementariër Daniel Féret en de Franse politicus Jean-Marie Le Pen precieze grenzen getrokken. Beiden waren door de nationale rechter veroordeeld en het Hof heeft dat in beide gevallen goedgekeurd. Meer zeg ik er niet over.”

Hebben terroristen ook mensenrechten?

„Mensenrechten zijn geen mooiweerrechten. Maar zeker sinds 9/11 staan ze in een ander daglicht. Tellen ze ook voor mensen die zelf mensenrechten willen kapotmaken? We kregen daar heel indringend mee te maken in de zaak van de Tunesiër Saadi die in Italië was veroordeeld wegens betrekkingen met Al-Qaeda en zich verzette tegen uitzetting. Unaniem heeft het Hof toen geoordeeld: hoe moeilijk het ook is, toch heeft Italië niet het recht te zeggen: hé terrorist, jij wilde ons kapotmaken, nou ga je zelf ook maar kapot. Dus oordeelden wij: als u deze meneer uitzet, maakt u zich schuldig aan onmenselijke behandeling, en dat mag niet.”

U maakte deel uit van het Hof dat het verbod op het dragen van een hoofddoek in openbare gebouwen in Turkije billijkte. Hoe kijkt u aan tegen initiatieven om het dragen van een boerka in het openbaar te verbieden?

„Ons Hof heeft zich nog niet uitgelaten over het dragen van boerka’s in het openbaar. Het Verdrag geeft een onbeperkte vrijheid op het hebben van een geloofsovertuiging, maar op de manier van belijden en tot uiting brengen van een godsdienst mogen beperkingen worden gesteld. In het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, de gezondheid of goede zeden, of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Of zo’n beperking noodzakelijk en proportioneel is, zal altijd een afweging zijn en kan van tijd tot tijd verschillen. Nog niet zo lang geleden was het in sommige delen van Nederland volkomen normaal dat nonnen van top tot teen in zwarte gewaden liepen, met hun hoofd soms ook nog in een soort periscopische kap. In de huidige tijd kan het op de openbare weg dragen van zo veel verhullende kledij wellicht een veiligheidsrisico meebrengen.”