Romeinen, Germanen en de Europese koekjestrommel

De Duitse bondskanselier Merkel noemt de huidige onrust rond de euro een existentiële crisis voor Europa. Als het met de euro fout gaat, is er meer mislukt dan een gewaagd economisch en monetair experiment; dan faalt volgens haar de Europese gedachte.

Haar uitspraak is met flink wat scepsis begroet. Er werd links en rechts gemompeld dat misschien niet de Europese gedachte aan het haperen was, maar de politieke antennes van de bondskanselier. Om het falen van een gedachte zullen niet veel mensen wakker liggen, dus waar was dit gesomber goed voor?

Wat houdt die Europese gedachte in, die volgens mevrouw Merkel in gevaar verkeert?

Europa is op het oog een politiek en economisch project, dat anno 2010 toegenomen welvaart en vrijheid voor intussen 500 miljoen mensen betekent. Maar het fundament ervan ligt dieper, in de heilige overtuiging van enkele vroege Europeanen dat de eeuwenlange rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland moest worden bezworen. Als iets de Europese gedachte is, dan is het dat er in Europa nooit meer een oorlog zou moeten komen, en vooral niet tussen Duitsland en Frankrijk. De eerste stap daartoe was de oprichting, in 1951, van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de EGKS, die de strategische delfstoffen van beide landen onder een supranationale autoriteit bracht. De EGKS met zes deelnemende landen werd de EEG, die werd de EG, en nu dus de EU met 27 lidstaten.

Jean Monnet, de Franse hoge ambtenaar die deze Europese gedachte als een van de eersten naar voren bracht, had al oog voor het verschijnsel dat veel grote oorlogen in de Europese geschiedenis zich hadden afgespeeld tussen landen die ooit deel waren geweest van het oude Romeinse rijk, en landen erbuiten. Het is alsof het Romeinse Rijk, dat al eeuwen geleden in de nevel van de geschiedenis was verdwenen, nog steeds zijn invloed deed gelden in de oorlogen tussen ex-Romeinen, waaronder ook Frankrijk, en de rest. Die rest, dat was ongeregeld volk zoals Germanen, Kelten, Saksen, Magyaren en nog een stuk of wat meer, die geen van allen iets moesten hebben van het gecentraliseerde bestuurs- en samenlevingsmodel van de Romeinen en hun erfgenamen. Laten we ze voor het gemak maar even gezamenlijk aanduiden als Germanen.

De Rijn was de buitengrens van het Romeinse Rijk. Keulen, Nijmegen, Utrecht, en Leiden waren grensposten. Daar stond de geciviliseerde Romein aan de rand van de beschaafde wereld, oog in oog met de politieke en sociale wildernis van de Germanen, en hij huiverde. Voor de anarchie die een begrip als persoonlijke vrijheid wel moest opleveren, voor politieke vergaderingen onder heilige eiken waar elke man een stem had, en voor oorlogvoering zonder legioenen in slagorde maar met gewapende woestelingen die zich uit bomen lieten vallen.

De hoofdrolspelers van de Griekse crisis van vorige maand, en van de dreigende crises van Portugal, Spanje en Italië straks, zitten opnieuw aan weerszijden van de Romeinse grens. Want aan de andere kant zitten de Germanen, in de eerste plaats natuurlijk Duitsland, maar ook wij in Nederland, en Finland. De andere Scandinaviërs, de Zwitsers en de Engelsen doen niet mee in de euro, anders zaten ze ook hier.

Germanen denken en doen anders dan Romeinen, en omgekeerd, zoals organisatiepsycholoog Geert Hofstede beschrijft in zijn studie naar cultuurverschillen Allemaal andersdenkenden. Romeinen, en dus ook Grieken, Fransen en de anderen, zijn ingesteld op machtsafstand. Wet en recht zijn er niet voor iedereen; het zijn uitvindingen van de machthebbers om de kleine man eronder te houden. Bescherming vind je bij familie en vrienden, daar moet je goed voor zorgen want zij zorgen ook voor jou.

Voor de Germaan vertegenwoordigen wet en recht juist veiligheid, zij vormen zijn schild te-gen de willekeur van heersers. Familie en vrienden bevoordelen noemt hij dan ook gesjoemel en corruptie. Voor gemeenschapsbezit is iedereen gezamenlijk en individueel verantwoordelijk. Vandaar dat de gemeenschappelijke weidegrond, de meent, de commons of de Allmende, een Germaans verschijnsel is.

Voor de Romein is gemeenschapsbezit niet van hem maar van de hoge heren. Daar profiteer je van zoveel je kunt, en als ze je daar een rekening voor sturen, betaal je die niet of zo laat mogelijk. De Italiaanse premier Berlusconi schatte deze week dat 25 procent van de belastingen daar niet betaald wordt. Voor de Germaan is dat lamlendigheid, voor de Romein is het gewoon hoe de wereld in elkaar zit.

Maar het samenleven binnen één Europese woning wordt onmogelijk wanneer enkele bewoners de gemeenschappelijke koekjestrommel als een gezamenlijke verantwoordelijkheid zien, terwijl anderen hem alleen maar leegbietsen. De Engelsen hebben daar een begrip voor, the tragedy of the commons. De verkommering van de meent, zou je kunnen zeggen. Waar er verschillend gedacht wordt over halen en brengen, valt de gemeenschap uiteen.

Het zou me niet verbazen als mevrouw Merkel de existentiële crisis van Europa ziet opdoemen in de dreiging dat het eurogebied zou kunnen splijten. Als dat gebeurt, is de kans groot dat de breuklijn weer langs de oude grens van het Romeinse Rijk zal lopen. Dan zitten Duitsland en Frankrijk opnieuw in verschillende kampen, met alle risico’s van toekomstig conflict en geweld. Dat is het einde van de Europese gedachte.

Het is naïef te denken dat de Romeinen in Europa zich kunnen bekeren tot het voor hen wereldvreemde Germaanse concept van de commons. Ze hebben er niet eens een woord voor. Waar ze mee vertrouwd zijn, is de autoritaire machtsinstructie van belastingheffing met een dwangbevel. Maar die kan niet van huisgenoten komen met wie je op voet van gelijkheid wenst samen te leven. Daarom is de inschakeling van het IMF, de werelddeurwaarder voor landen onderling, een sterk gambiet in het spel om de redding van het Europese ideaal.