Oh ja, die is er ook nog altijd: de klimaatcrisis

Terwijl de verkiezingscampagnes de economie centraal stellen, met veel aandacht voor sociaal- en financieel-economische onderwerpen, blijft een ander thema onderbelicht: het energiebeleid. Hoewel dat voor nationale en internationale economische ontwikkelingen niet minder van belang is en bovendien direct raakt aan die andere depressie die er ook nog is of dreigt: de klimaatcrisis.

Na de mislukte top van Kopenhagen, waar de lidstaten van de VN er niet in slaagden stevige afspraken over het klimaatbeleid te maken, is de noodzaak om de uitstoot van broeikasgassen drastisch te verminderen uiteraard niet verdwenen. En wie de urgentie daarvan niet inziet, zal toch rekening moeten houden met de eindigheid van de wereldwijde voorraad aan fossiele brandstoffen als olie en gas. De energiedragers dus die ervoor zorgen dat gebouwen van elektriciteit en warmte worden voorzien en dat auto’s rijden. Om maar enkele economische belangen te noemen.

Nu valt dat misschien met aardgas nog mee. Weliswaar krimpt de gasbel bij Groningen gestaag en zal hij na 2025 niet meer voor export kunnen worden gebruikt, in het noorden van Rusland liggen nog te exploreren gasvelden die tien tot vijftien keer zo groot zijn. Als gasleverancier zal de betekenis van Rusland voor de rest van Europa groter en groter worden, en met zijn toe te juichen ambitie om de ‘gasrotonde’ van Noordwest-Europa te worden, hoopt Nederland daar economisch een graantje van mee te pikken.

Daar staat het risico tegenover dat de lidstaten van de EU voor hun energiezekerheid in toenemende mate afhankelijk worden van gas- en olieleveranciers uit landen waarvan stabiliteit bepaald niet het grootste kenmerk is. Ook daarom kan effectief energiebeleid niet anders dan internationaal en ten minste Europees zijn. Andere conclusie: diversificatie, kernenergie niet uitgesloten, is een noodzaak om de energievoorziening veilig te stellen.

Ook het klimaatbeleid vergt vanzelfsprekend een internationale aanpak en dus politiek met een grote P en is daarom wellicht niet zo geschikt voor de huidige verkiezingscampagne. Nederland neemt van de mondiale uitstoot van het broeikasgas CO2 0,6 procent voor zijn rekening. Als het erin slaagt dat aandeel te halveren, levert het een bijzondere prestatie, waar de wereld nochtans weinig mee opschiet. Tenzij alle landen tot dergelijke reducties weten te komen.

In Europa laaide deze week de discussie op of de EU zich niet een hogere reductie van CO2-uitstoot moet voornemen dan tot nu toe afgesproken: 30 procent in plaats van 20 procent in 2020. Dat wordt nu om een verkeerde reden eenvoudiger dan gedacht: dankzij de economische crisis. Maar de hang naar gedetailleerde percentages als doelstellingen voor de soms verre toekomst kan beter worden omgezet in concrete daden, met meer urgentie dan in de langetermijnscenario’s waar milieu het te vaak mee moet doen.

In Nederland zullen subsidies, of ze nu de bouw van windmolens bevorderen of bedrijven met kortingen op energietarieven ondersteunen, door de bezuinigingen ter discussie komen. Laat ze dan plaatsmaken voor concrete maatregelen die milieuvervuiling en verspilling van brand- en grondstoffen tegengaan. En dus de kosten in rekening brengen waar ze horen volgens een oud adagium: de vervuiler betaalt. Opdat de vervuiler het vervuilen laat.