Muziek klinkt mooi bij simpele verhoudingen tussen toonfrequenties

Wanneer twee saxofonisten samenspelen, of twee zangers tegelijk zingen, klinken sommige samenklanken ‘lekker’. En andere onprettig. Natuurkundigen, instrumentenbouwers, muziekwetenschappers en fysiologen vragen zich al bijna 300 jaar af hoe dat komt. Gaat het om eenvoudige verhoudingen tussen de frequenties van de tonen die samen klinken? Of komt het door de manier waarop ons oor geluid verwerkt? Of komt het doordat tonen die niet veel in frequentie verschillen een onaangename zweving krijgen (ze doven elkaar periodiek uit) of ‘ruw’ klinken? Of is het hele begrip van harmonische en onharmonische, van consonant en dissonant aangeleerd? Amerikaanse psychologen en neurowetenschappers hebben het (opnieuw) onderzocht. Ruim 250 studenten moesten beoordelen of samenklanken van twee tonen (van saxofonisten, van zangers, van elektronisch gegenereerde tonen) ‘plezierig’ of ‘onplezierig’ klonken. Hoe langer ze ooit muziekles hadden gehad, hoe duidelijker de voorkeur voor de gangbare samenklanken (tertsen, kwart, kwint, grote sext) in de westerse muziek. Dus er is een flinke culturele invloed (Current Biology, 20 mei).

De onderzoekers concluderen ook dat samenklanken met het meest harmonische spectrum het prettigst (consonant) worden gevonden. Dat lijkt een woordspel, maar het punt is: een saxofonist die een toon speelt, speelt niet één toon, maar ook een hele reeks boventonen. Boventonen hebben een geheel aantal keer de frequentie van de grondtoon. Bijvoorbeeld: 440, 880, 1320, 1760, 2200 Hz. In muziektermen zijn dat een grondtoon en daarop gestapeld een octaaf (frequentieverhouding 2:1), een kwint (3:2), een kwart (4:3) en een grote terts (5:4). Speelt een andere muzikant tegelijkertijd een andere toon, met zijn reeks boventonen, dan gaat het om de getalsverhoudingen van de frequenties van ieder mogelijk tweetal tonen in de samenklank. Hoe meer eenvoudige verhoudingen, hoe beter de samenklank wordt gewaardeerd. Of er tonen in zitten die met elkaar een zweving, of ‘ruwheid’ veroorzaken is minder erg dan vorige onderzoekers concludeerden. Wim Köhler