Met de dood op de hielen

President Uribe van Colombia vertrekt na acht jaar. De erfenis van zijn strijd tegen de rebellen: een paar miljoen binnenlandse ontheemden.

Op een zaterdagochtend zag Arnulfa Micolta ineens twintig gewapende mannen door haar dorp lopen. Het waren guerrillastrijders. Haar hartslag versnelde, haar zoete koffie kreeg een bittere smaak.

Een van de mannen herkende zij. Een week ervoor had hij haar 42-jarige neef vermoord. Met twee pistoolschoten. De 72-jarige Micolta werd gedwongen de executie te aanschouwen.

Het was een waarschuwing aan Micolta en haar buren: vertel niemand dat wij hier zijn. Haar neef had dat wel gedaan.

Hij had de guerrillastrijders al zien rondlopen en meldde het aan de autoriteiten in San José, de dichtstbijzijnde grote stad in het Colombiaanse departement Nariño, dat grenst aan Ecuador. „Het was voor ons groot nieuws”, vertelt Micolta. „In onze gemeenschap gebeurde nooit iets. Mijn neef was opgewonden.”

De strijders waren leden van de FARC (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia), de grootste en oudste guerrillabeweging in het land. Opgejaagd door het Colombiaanse leger waren ze aangekomen in het gebied waar Micolta was geboren en getogen.

En die zaterdagochtend brachten de mannen met geweren het slechte nieuws: jullie moeten hier zo snel mogelijk weg.

„Niets mochten we meenemen, alleen de kleren die we droegen”, vertelt Micolta. Met „de dood op de hielen” stapte zij, samen met haar 100-jarige moeder en haar dochter, in een kano. „We zijn weg gevaren en we hebben niet meer omgekeken.”

Dat was in 2007. Micolta vluchtte naar Cali, een grote stad in het zuidwesten van Colombia.

In haar dromen keert zij steeds weer terug naar haar dorp, naar haar buren die haar familieleden waren. Micolta is een Afro-Colombiaanse, een afstammeling van slaven die op de Spaanse suikerplantages werkten. Haar familie leefde generaties lang in het dorp aan de Tapaje-rivier. „’s Ochtends scheen de zon op het water. Prachtig. Het was een paradijs daar. In de rivier was ook goud te vinden.”

Micolta is een van de honderdduizenden Colombianen die in de afgelopen jaren door de strijd tussen regering en rebellen gedwongen hun huis hebben moeten verlaten. Het is een bijna vergeten probleem, zoals het Internationale Rode Kruis onlangs stelde, maar Colombia heeft na Soedan het grootste aantal ontheemden – binnenlandse vluchtelingen – ter wereld. Meer nog dan Pakistan, Somalië en Irak, al tellen deze landen en Soedan meer mensen die hun land zijn ontvlucht.

Volgens officiële cijfers zijn er 3,4 miljoen binnenlandse ontheemden sinds 1999. Colombiaanse vluchtelingenorganisaties houden het op 4,9 miljoen. De regering baseert zich op het aantal officieel geregistreerde vluchtelingen, terwijl de hulporganisaties weten dat veel slachtoffers zich niet officieel bij de overheid hebben gemeld.

Bovenop deze getallen komen ook nog eens ruim 500.000 Colombianen die noodgedwongen naar het buitenland zijn uitgeweken. Vooral buurland Ecuador herbergt een grote gemeenschap van ruim 50.000 Colombianen.

Sinds het aantreden van Álvaro Uribe (nu 57) in 2002 als president van is deze humanitaire ramp vergroot. Tot 2009 kwamen er volgens officiële cijfers 2,4 miljoen ontheemden bij, terwijl locale hulpverleningsorganisaties op 3 miljoen uitkomen.

Het is deel van de erfenis van de succesvolle en snoeiharde strijd van Uribe tegen de guerrillabewegingen FARC en ELN. Steeds weer zijn het de arme kleine boeren, de indiaanse of Afro-Colombiaanse gemeenschappen, die in de spervuren van guerrillastrijders en soldaten komen te liggen.

Bovendien zijn er nog altijd illegale paramilitaire groepen actief, ondanks demobilisatieprogramma’s van de overheid. Deze groepen zijn vaak gelieerd aan drugsbendes of grootgrondbezitters. Ook zij eisen land op, voor cocaplantages of legale economische activiteiten, zoals de productie van palmolie.

Destijds werd Uribe gekozen vanwege zijn belofte een einde maken aan de onveiligheid en de burgeroorlog in het land. Uribe had zijn persoonlijke drijfveren: zijn vader Alberto Uribe Sierra werd tijdens een ontvoeringspoging in 1983 vermoord door de FARC. Uribe is ook een telg uit een geslacht van grootgrondbezitters uit Medellín. Van oudsher zijn deze herenboeren de natuurlijke vijanden van de linkse guerrillabewegingen.

Uribes harde aanpak heeft gewerkt. In acht jaar tijd zijn de linkse gewapende groepen door het oprukkende leger gemarginaliseerd, dieper de rimboe van Colombia in gedreven. Hun aanhang zou onder het bewind van Uribe zijn gehalveerd, van 17.000 in 2002 tot tussen de 7.500 en 10.000 strijders nu.

„Het vluchtelingenprobleem heeft alles te maken met landbezit”, zegt Jorge Rojas, voorzitter van Codhes, een gezaghebbend mensenrechteninstituut. Codhes houdt als eerste organisatie in het land, sinds 1985 cijfers bij van het aantal ontheemden in Colombia.

„Om coca te verbouwen heb je grond nodig”, zegt Rojas. En het grondbezit in Columbia is scheef. Hij vertelt dat 0,4 procent van de Colombiaanse landeigenaren tezamen 68 procent van de grond bezitten. „Heel wat grootgrondbezitters zijn drugshandelaren.”

In de jaren tachtig en negentig werden de kleine boeren in Colombia vooral verdreven door de paramilitaire groepen, die in dienst van de grootgrondbezitters werkten. Als privélegertjes hielden de paramilitairen de guerrillastrijders op afstand. Tegelijkertijd opereerden zij als gewapende tak van cocaïnehandelaren.

Ook de guerrillagroepen ontdekten de lucratieve handel in het witte poeder. Om zo hun ‘revolutie’ te financieren, hadden ze land nodig voor cocaplantages en voor het garanderen van veilige doorvoerroutes.

Soms wordt het ingepikte land ook voor andere gewassen gebruikt. Vorige week nog berichtte het dagblad El Tiempo dat het Openbaar Ministerie arrestatiebevelen heeft uitgevaardigd tegen negen herenboeren. Deze ondernemers zouden tussen 2001 en 2005 verantwoordelijk zijn geweest voor het verdrijven van vijftien boerengemeenschappen in de Urabá-regio in het noordoosten van Colombia.

In dit dossier was de grond niet nodig voor het planten van coca. De landerijen werden gebruikt voor de productie van palmolie – commercieel interessant vanwege de toenemende internationale vraag naar biodiesel. Leger en paramilitairen hadden de entrepreneurs ‘geholpen’ de boeren te overreden om te vertrekken.

Ook het leger heeft een dubieuze reputatie. Tijdens het bewind van Uribe hebben militairen ongeveer tweeduizend executies gepleegd zonder dat er een rechtszaak was geweest. Omdat de druk op de militairen om resultaten te boeken in de strijd tegen de guerrilla’s groot is, worden regelmatig onschuldige burgers omgebracht, zo blijkt uit onderzoek.

Deze week nog sprak Philip Alston, VN-rapporteur voor buitengerechtelijke executies, in een rapport van „een patroon” van moorden. Veel slachtoffers werd vervolgens gevechtskleding aangetrokken of een pistool in de hand gedrukt om hen op guerillastrijders te doen lijken.

Het is een schimmige wereld, zegt Codhas-medewerker Rojas. Zelf is hij twee keer het doelwit van een moordaanslag geweest vanwege zijn werk. Hij moest twintig maanden onderduiken in het buitenland. „Tegenwoordig mag ik alleen over straat met beveiliging. Het zijn vooral paramilitairen die ons werk niet waarderen. Maar we moeten de ontheemdenproblematiek onder de aandacht blijven brengen.”

Een van de grotere ontheemdencentra in het land is Cali, de stad waar ook Arnulfa Micolta is terechtgekomen. In de stad hopen veel ontheemden steun te krijgen van de staat. Onder druk van het Constitutionele Hof heeft de overheid de afgelopen jaren haar dienstverlening aan de ontheemden moeten vergroten.

Het lost de kern van het probleem niet op, zegt Frangey Rendón, die voor de gouverneur werkt van het departement Valle del Cauca, waarvan Cali de hoofdstad is. Rendón is een zogenoemde vredesmanager. Als bemiddelaar treedt hij onder meer op tussen ontheemden die terug willen naar huis en paramilitairen.

Hij zegt: „Wij zijn als overheid niet in staat dit alleen op te lossen. De vraag naar hulp is zo groot, het overstijgt het aanbod vele malen.”

Sommige ontheemden kan de overheid wel op weg helpen. Zoals de 29-jarige John Andrés Urbano en zijn vrouw Cristina.

Ooit werkte Urbano met zijn broers op een kippenboerderij in een dorpje vlak bij zijn huis, op een paar uur rijden afstand van Cali. Toen hij op 20 april 2002 ’s avonds bij een vriend langs was geweest, werd Urbano onderweg naar huis door paramilitairen aangehouden. Hij was ze eerder tegengekomen, maar ze hadden hem nooit lastiggevallen. Nu waren ze ineens naar hem op zoek.

Zonder pardon knalden ze hem neer. Drie kogels in zijn rug. Dood was hij niet, maar zijn benen kon hij niet meer bewegen. „Ik weet nog steeds niet waarom ze mij moesten hebben”, zegt hij. „We zijn nooit meer teruggeweest.”

Nu woont het echtpaar in Portero Grande, een arme buurt in Cali. Urbano zit in een rolstoel en repareert mobiele telefoons. „Dankzij de overheid heb ik dit huis kunnen kopen. In het begin hebben we ook een tijdje geld gekregen voor huur en om boodschappen te doen”, vertelt hij.

Als Urbano gevraagd wordt wie nu eigenlijk verantwoordelijk is voor wat hem is overkomen, de overheid of de paramilitairen, dan heeft hij geen antwoord. „Het is heel complex wat in onze maatschappij gebeurt.” Het is overigens beter dat de Nederlandse verslaggever nu gaat, voegt hij er aan toe. „Het is 16.00 uur en dan komen hier de jeugdgangs op straat, dan wordt het gevaarlijk.”