Mensen luisteren zich te pletter

Karin Bijsterveld doet onderzoek naar een ondergeschoven kind in de wetenschap en de techniek: geluid.

Eigenlijk ben ik een gesjeesde musicus”, zegt Karin Bijsterveld. We zitten in haar werkkamer in het gebouw van de Faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen, op een steenworp van het Vrijthof. Buiten klinkt het gedempte gedruis van een stad die aan een mooie lentedag begint. Een kerkklok slaat, een printer zoemt en ergens draagt ook een mobiele telefoon bij aan dit Maastrichtse klankschap.

“Ik wilde de muziek in en volgde de muziekpedagogische academie in Leeuwarden. Maar ik ontdekte dat ik niet goed genoeg was voor het soort muziek dat ik wilde spelen, vooral contemporaine muziek.”

Bijsterveld (1961) is hoogleraar wetenschap, technologie en moderne cultuur binnen de capaciteitsgroep maatschappijwetenschap en techniek aan de Universiteit Maastricht. Ze vertelt hoe ze de dwarsfluit inruilde voor de geluidswetenschap en hoe het kon gebeuren dat ze nu een complete onderzoeksgroep op dat terrein leidt.

Het begon toen ze de academie verliet en geschiedenis ging studeren. Na haar afstuderen kwam ze in Maastricht terecht bij wetenschapsfilosofie, en schreef daar uiteindelijk een proefschrift over de bijdrage van de gerontologie en de geriatrie aan de debatten over vergrijzing en bejaardenbeleid. Er werd een nieuwe groep opgericht: techniekstudies, en Bijsterveld werd gevraagd mee te gaan. “De bedoeling was dat ik met een goed onderwerp moest komen. Ik zat in de tuin te piekeren, maar ik kon me slecht concentreren omdat ik overal grasmaaiers, vliegtuigen enzovoort hoorde.

COMPONISTEN

“Op dat moment wist ik het. Geluid! Dat heeft met technologie te maken, met muziek. Ik wist ook dat er componisten zijn geweest die alledaags geluid tot onderdeel van hun composities hadden gemaakt. En tot mijn eigen verbazing vond ik een boek in de kast dat ik nooit had ingekeken, het heette Noise and Society , het was uit de jaren ’60. Al mijn interesses kwamen binnen dat onderwerp bij elkaar.”

Was dat een bestaande tak van wetenschap? “Op dat moment hield niemand in Nederland er zich mee bezig. Je had sonologie, maar dat was een specialisme van de musicologie. Maar ik was er nog niet mee bezig, of er waren allerlei collega’s die zeiden: ik ken iemand die met de geschiedenis van lawaai bezig is, en een ander die ook weer iemand wist die onderzoek naar geluid deed.”

Bijsterveld oriënteerde zich in dit nieuwe specialisme, en tegelijkertijd gaf ze het vorm. Met collega’s in binnen- en buitenland zette ze een drietal conferenties op, die steeds resulteerden in een aantal publicaties of een boek. De laatste dateerde van 2009, en het resultaat zal een handboek over sound studies zijn dat volgend jaar bij Oxford University Press wordt gepubliceerd. Begin dit jaar sleepte Bijsterveld bij NWO een VICI-subsidie in de wacht. Daarmee kan ze vijf jaar lang met 3 promovendi en 2 postdocs aan de slag. (zie kader)

Maar wat zijn sound studies?

Er zijn drie onderzoeksrichtingen, legt Bijsterveld uit.

“Wij houden ons bezig met geluid in relatie tot wetenschap en technologie. Dus hoe de opkomst van een bepaalde technologie leidde tot bepaalde geluiden of geluidstechnieken. Maar ook hoe geluid in de wetenschap is of wordt gebruikt. Door artsen die met hun stethoscoop luisteren naar het menselijk lichaam, ingenieurs die de geluiden van machines volgen, of de sonarspecialisten die aan boord van schepen de teruggekaatste geluidspulsen interpreteerden en daaruit de positie van onderzeeërs konden afleiden.

STIL

“Een tweede gebied in de sound studies is musicologisch georiënteerd. Het gaat daar om de geschiedenis van het luisteren naar muziek, bijvoorbeeld over de vraag waarom de concertzaal stil is geworden. En soms houden ze zich bezig met de compositie van ringtones.

“En tot slot heb je de bètakant van de sound studies. Dat is het ontwerpen van geluiden voor auto’s en huishoudelijke apparaten. Sound design heet dat meestal.”

Het onderzoek dat Bijsterveld zelf verrichtte is een voorbeeld van de veelzijdigheid van het onderwerp. Ze deed onderzoek naar het gebruik van de bandrecorder, naar het luisteren naar machines, naar gehoorbeschadiging in fabrieken en naar geluidshinder door vliegtuigen. Haar oratie in 2007 ging over de verschillende functies die de autoradio in de loop der tijd heeft vervuld. “In het begin was er angst dat de autoradio de mensen te veel zou afleiden, later moest de autoradio de mensen juist wakker houden tijdens eentonige ritten. Toen het verkeer drukker werd, zo vanaf de jaren zestig, werd de autoradio weer een middel om stress te bestrijden en rustig te blijven.” Hoe de techniek wordt gebruikt, wil Bijsterveld maar zeggen, hangt erg van de sociale omstandigheden af.

BANDRECORDER

De bandrecorder is daar een mooi voorbeeld van. In de jaren vijftig verwachtten fabrikanten als Philips en Grundig veel van de introductie van de bandrecorder in de huiselijke kring. “Philips wilde de bandrecorder verkopen als een familiealbum, maar dan in geluid. Maar ze hadden niet aan de culturele praktijk gedacht. Een fotoalbum kun je gemakkelijk bekijken met een aantal mensen, maar geluiden zijn veel moeilijker uit te wisselen. Je hebt er een apparaat voor nodig, het terugvinden van de juiste fragmenten was een heidens karwei. Tapefabrikant Basf heeft nog geprobeerd de mensen op te voeden door archiefkaartjes te maken en papieren bandmeters, waarop je kon aflezen hoever de tape moest worden afgespoeld om nog een keer het jawoord van Kees en Annie te horen. En als je het gevonden had moest iedereen zijn mond houden. Niet erg gezellig.

“De verwachting was dat geluiden opnemen breed gedragen zou worden, maar het is uiteindelijk een hobby van een heel specifieke groep geworden – geluidsjagers werden ze wel genoemd, mensen die bijzondere geluiden probeerden vast te leggen.”

Hoe zit het met de opkomst van dat andere fenomeen, de walkman, en later de iPod? “In eerste instantie vonden mensen het cultureel gezien zeer grensoverschrijdend dat je in een publieke omgeving iets privaats doet. Toch is het uiteindelijk geaccepteerd, want de personal audio vervulde veel functies. In vreemde of bedreigende omgevingen kun je een vertrouwd geluid meenemen, en dat kan in nieuwe steden, in een samenleving die on the move is heel prettig zijn. En omgekeerd, als je een bepaalde reis steeds weer meemaakt, kun je die met muziek toch weer interessant maken. Je zet er een soundtrack onder, je esthetiseert je dagelijkse ervaring.”

FONOGRAAF

Wat zijn de bronnen van de geluidshistoricus? Zijn er geluidsarchieven en oude geluidsopnamen? “De fonograaf bestaat sinds 1878, en er zijn wel antropologen die hem hebben gebruikt om opnamen te maken. Maar dan vrijwel altijd van vreemde culturen. En er zijn geluidsopnames van steden, uit de jaren twintig en dertig. Toen begonnen de eerste debatten over de schadelijkheid van stadslawaai. In New York zijn opnames gemaakt op een druk kruispunt. In Nederland zijn vermoedelijk opnames gemaakt door de natuurkundige Adriaan Fokker, die een geluidsstichting leidde. Maar ik heb ze nog niet gevonden.

“Er zijn ook andere bronnen waaruit je veel te weten komt over geluid, en hoe mensen daarmee omgingen. Uit politiearchieven kun je leren aan welk lawaai mensen zich stoorden. Verkeersregels zeggen iets over het soort lawaai dat in het verkeer wordt geproduceerd. Archieven over ambachten onthullen iets over materiaalgebruik en daaruit kun je ook geluidsproductie afleiden. Annelies Jacobs, een van onze promovendi heeft oorlogsdagboeken van Amsterdammers bestudeerd, die laten zien hoe geluiden opeens een andere betekenis krijgen. Uit arbeidsenquêtes weten we weer hoe arbeiders in de industrie gehoorschade opliepen, of allemaal doof werden – zoals de jongens die aan de binnenkant van een ketel de klinknagels moesten tegenhouden die er vanaf de buitenkant werden ingeslagen.”

In haar VICI-project legt Bijsterveld vooral het luisteren in de wetenschap en de techniek onder het vergrootglas. Geluiden hebben in de wetenschap niet heel veel prestige. “Vaak worden ze weer omgezet in visuele vorm, zoals vogelgeluiden, die in sonogrammen worden getransformeerd.”

GEKLIK EN GEZOEM

Maar in de techniek en bij de vroege ontwikkeling van menige tak van wetenschap hebben geluiden en luisteren naar geluiden een belangrijke rol gespeeld. “Toen het vak van autoreparateur opkwam bijvoorbeeld. Luisteren naar de mechanische geluiden, in staat zijn een diagnose te stellen was een vaardigheid waarmee deze nieuwe ambachtslieden zich konden onderscheiden van anderen die zich aan het repareren van auto’s waagden, zoals smeden. Ingenieurs en technici leerden naar machines te luisteren. Ze konden aan het geklik van schakelaars en het gezoem van de tapedecks horen of computers goed werkten. Artsen gingen met een stethoscoop naar het hart en de ademhaling luisteren. Sonarspecialisten trainden zich in de duiding van sonargeluiden. En in al die vakgebieden zie je dezelfde stadia. Er moet een vocabulaire worden ontwikkeld om de geluiden te benoemen, je moet ze in categorieën onderverdelen en uiteindelijk moet je weten welk geluid naar welk verschijnsel verwijst. Naar welk schip, welke kwaal of welk mechanisch falen.”

Een veelzijdig vak, dat geluid. Maar is de toekomst niet somber? Met de computerisering worden apparaten en machines toch steeds stiller? “Ja, maar vervolgens worden er weer nieuwe geluiden ontworpen. De Europese Commissie studeert nu op plannen om fabrikanten te verplichten geluid aan elektrische auto’s toe te voegen. Ze zijn nu te stil. En verder luisteren mensen zich nog steeds te pletter, ze leven in hun eigen muziekwereld. Geluid is nog steeds heel belangrijk.”