Het debat over het debat na het debat

Debatten op televisie hebben grote invloed op de kiezers. Beelden en beeldvorming rollen over elkaar.

Hoe vaak kan een politicus een campagne winnen of verliezen? De verkiezingen zijn pas over tien dagen, maar VVD-leider Mark Rutte heeft de afgelopen week al drie keer gewonnen. En hij kan nog zeker twee keer winnen voordat er echt wordt gestemd – dankzij de eindeloze reeks debatten, die tegenwoordig niet meer eindigen zonder dat de winnaars en verliezers zijn aangewezen. De verkiezingscampagne, ooit een trektocht van politici door het land om de kiezer op te zoeken, is veranderd in een tournee van een politieke debatingclub langs radio-en televisiezenders.

Wordt het allemaal niet wat veel, verzuchtten vooral de spelers zelf na de verkiezingscampagnes van 2002 en 2003, toen er ook sprake was van een stortvloed aan debatten. Tot resultaat heeft deze zelfreflectie niet geleid. Behalve dan dat lijsttrekkers niet meer als pauzenummer fungeren tijdens een amusementsprogramma, zoals in 2002 gebeurde. Toen raakte de Nederlandse politieke elite bij RTL in de Soundmixshow van Henny Huisman verzeild. Dat nooit meer, was de algemene conclusie achteraf.

Voor het overige is op televisie alles geoorloofd. Ook dit jaar wordt de kiezer weer overspoeld door politieke leiders die elkaar verbaal bestrijden. Moet er gedebatteerd worden, dan zál er gedebatteerd worden. Drie grote confrontaties tussen de belangrijkste lijsttrekkers zijn inmiddels achter de rug; nog twee zullen volgen. Het publiek kan er geen genoeg van krijgen. Ruim 1,5 miljoen kijkers stemden afgelopen zondag af op RTL om een chaotisch ‘premiersdebat’ tussen vier lijsttrekkers te bekijken – niet veel minder dan het gemiddelde kijkcijfer voor het showprogramma X-factor. Geen politicus kan een dergelijk bereik negeren. En daarom laten zij zich maar weer schminken, plaatsen zij zich achter het katheder, bereiden zij zich voor op de aanval en prepareren zij de tegenaanval. Met allemaal de cruijffiaanse wijsheid in het achterhoofd dat een wedstrijd misschien niet gewonnen kan worden, maar wel verloren.

‘Debatten bevestigen bestaande opvattingen’

Levert het electoraal iets op, al die debatten? De wetenschap durft hierover geen stellige uitspraken te doen. Een directe relatie tussen de uiteindelijke stem en de waardering van een debat is moeilijk te leggen. Debatten versterken eerder percepties. ‘Kijkers naar een debat worden veelal bevestigd in de juistheid van hun voorgenomen stemgedrag’, schrijven de onderzoekers Philip van Praag en Wilbert Geijtenbeek in de bundel ‘Politiek en media in verwarring’ (2005) over de verkiezingscampagnes van 2002 en 2003.

Wel kan, zoals ook tijdens de debatten van de voorbije week bleek, een bepaald beeld worden geschetst of benadrukt dat vervolgens weer de toon in de campagne zet: de zegevierende Rutte, de schutterende Cohen. De echoput van politici en media doet de rest. Dat er in elk geval in deze fase van de campagne voor de partijen nog veel te halen valt, blijkt uit onderzoek van bureau Synovate voor NRC Weekblad. Circa 50 procent van de kiezers zegt z’n uiteindelijke keuze te bepalen na raadpleging van stemwijzers op internet; rond de 45 procent noemt de tv-debatten en artikelen in kranten en tijdschriften als belangrijke bronnen waarop ze hun uiteindelijke keuze baseren.

Eén simpele, vooraf ingestudeerde zin uit een debat kan nog jaren nagalmen. „U bent niet eerlijk en u draait’’, zei CDA-lijsttrekker Balkenende eind 2006 in een verkiezingsdebat voor de radio tegen PvdA-leider Bos. Het beeld van draaier is Bos sindsdien zijn hele verdere politieke carrière blijven achtervolgen. Waar de beschuldiging feitelijk op sloeg, wist al direct na de uitzending nagenoeg niemand meer. Maar Bos zat gevangen in een ‘frame’, zoals de strategen dat noemen. Door daarna dagelijks het ‘draaipunt van de dag’ van de PvdA te presenteren, drukte het CDA Wouter Bos verder in het defensief.

Bos revancheerde zich in dezelfde campagne van 2006 door op zijn beurt in een RTL-televisiedebat Jan-Peter Balkenende listig in een val te laten lopen. „Noemt u drie voorbeelden die laten zien dat u iets van de hogere inkomens hebt gevraagd”, hield hij de CDA-lijsttrekker voor. Toen deze niet direct antwoordde, zei hij „twee voorbeelden dan” om, toen Balkenende weer aarzelde, te eindigen met „één voorbeeld dan”. Het fragment dat precies de tegenstelling tussen PvdA en CDA blootlegde, is op weg naar de verkiezingen diverse malen herhaald.

Vroeger, toen er sprake was van slechts één slotdebat daags voor de verkiezingen, speelde dat niet. Het electoraat, dat nog niet zo massaal zweefde als nu, had z’n keuze al grotendeels bepaald. Als er ergens kiezers te halen vielen, wisten de lijsttrekkers ook precies waar ze dat moesten doen. In 1967 hoefde de toen net aangetreden PvdA-leider Den Uyl in het debat zijn pijlen alleen maar te richten op de KVP om de katholieke arbeiders van deze partij los te weken. In het huidige tijdsgewricht, met zijn turbulente kiezersmarkt waarop van alles valt te winnen maar ook te verliezen, gelden andere wetten, waarin onverwachte en verrassende wendingen niet zijn uitgesloten. Daar weten de partijen alles van sinds het traumatische debat dat op 6 maart 2002, na de gemeenteraadsverkiezingen, werd gehouden. Een chagrijnige, onderuitgezakte PvdA-leider Ad Melkert zat daarbij tegenover een sarrende Pim Fortuyn die de grote winnaar was. Het daarna eindeloos herhaalde beeld was een perfecte illustratie van de regent versus de uitdager van buiten. Kortom, precies de aanklacht van Fortuyn.

Daarmee had Nederland decennia later zijn pendant van het beroemde, eerste Amerikaanse televisie-verkiezingsdebat uit 1960 tussen de Republikeinse kandidaat Richard Nixon en de Democraat John F. Kennedy. De net van een ziekte herstelde Nixon zag er op de zwart-wit beelden slecht om niet te zeggen onguur uit. Kennedy maakte juist een jeugdige, frisse indruk. De 66 miljoen tv-kijkers vonden dan ook in ruime meerderheid dat Kennedy het debat had gewonnen Dat gold niet voor de radioluisteraars. Zij hadden Nixon alleen gehoord en riepen op basis van wat hij had gezegd juist hem uit tot winnaar.

Fouten voorkomen is de belangrijkste opdracht voor de politici die deelnemen aan televisiedebatten. En dus wordt er volop getraind, bijvoorbeeld door middel van rollenspellen. De voorbereiding van de debatten is een campagne-activiteit waarover partijen, zeker in verkiezingstijd, weinig willen loslaten. Hardnekkig is het verhaal over PvdA-leider Joop den Uyl die zich voorbereidde op een debat met VVD-leider Hans Wiegel. Daarbij speelde Marcel van Dam voor Hans Wiegel maar deed dat met zoveel overgave dat hij Den Uyl echt kwaad wist te krijgen. Tegenwoordig zijn het bij de PvdA de Kamerleden Martijn van Dam en Diederik Samson die als politieke stand-ins fungeren. VVD-leider Mark Rutte zegt overigens bewust niet aan rollenspellen te doen.

Bluffen moet soms ook. Zoals de VVD’ er Ed Nijpels deed tijdens een ‘gewoon’ debat in de Tweede Kamer. De net als fractieleider aangetreden Nijpels was bezig met zijn eerste bijdrage in die functie toen hij CDA-collega Lubbers naar de interruptiemicrofoon zag lopen. Hoe het verhaal van Nijpels zich verhield met de Zijlstra-norm, vroeg Lubbers. Jaren later heeft Nijpels wel eens verteld dat hij toen absoluut niet wist waarover Lubbers het had. Hij had nog nooit van de Zijlstra-norm gehoord maar redde zich eruit door Lubbers te antwoorden: „Ik begrijp niet dat iemand als u die vraag stelt. Want mijn verhaal is juist van A tot Z gebaseerd op de Zijlstra-norm.”

Spontaan verlopen tv-debatten nauwelijks. Strakke en met de campagneteams uitonderhandelde spelregels moeten weinig ruimte laten voor het toeval. Wat verrassingen overigens niet uitsluit. In 1981 werd VVD-leider Hans Wiegel, enkele maanden daarvoor weduwnaar geworden, overvallen door een kijkersvraag over weduwnaarspensioen. In tranen vroeg Wiegel waarom die vraag aan hem gesteld moest worden. Opponent Den Uyl legde een troostende arm om hem heen.

Complicatie voor het Nederlandse verkiezingsdebat is het grote aantal partijen. Waar in het buitenland verkiezingsdebatten vaak beperkt blijven tot twee of hooguit drie kandidaten, brengt het Nederlandse partijenstelsel een vracht aan deelnemers met zich mee. Met als gevolg dat nauwelijks scherp gediscussieerd kan worden, omdat iedereen in gelijke mate aan het woord moet komen of in elk geval wíl komen.

En zo staat het debat zelf nu ter discussie. Aanvankelijk was er Het Debat zelf. Toen was er het debat over Het Debat. En nu is er dan een debat over het debat over Het Debat. In de verkiezingscampagne anno 2010 spelen lijsttrekkers hun rol, maar nog meer eisen hun recensenten het podium op. Dus gaat het niet zozeer over de woorden en het optreden van politici, maar over hun duiders. Want beeld is belangrijk, maar nog belangrijker is de beeldvorming. Die beeldvorming wordt in niet onaanzienlijke mate bepaald door de beoordelaars die daarmee de toon zetten. Zij vertellen de luisteraar of de kijker liefst in winst- en verliestermen wat er werkelijk is gebeurd. Volgens hen dan – om de kiezer te dienen die het zicht op het echte debat reeds in een vroeg stadium volledig was kwijtgeraakt, na de zoveelste verwijzing naar de berekeningen van het Centraal Planbureau over het koopkrachteffect op middellange termijn.

De politiek als wedstrijd, of plastischer uitgedrukt: als kooigevecht. Toenmalig PvdA-fractievoorzitter Thijs Wöltgens noemde het bijna twintig jaar geleden al, in zijn boekje ‘Lof van de politiek’, de ‘epideiktische ziekte’ waarin de politiek wordt gereduceerd tot ‘een permanente wedstrijd die de performance boven de inhoud van het stuk plaatst’.

Politieke beelden in ‘slow motion’

Winnaars en verliezers, daar gaat het om. De enscenering van het debat is dan ook die van een voetbalwedstrijd. Met voorbeschouwing, met nabeschouwing en – nieuw dit jaar op de Nederlandse televisie – beelden uit het debat die op verzoek van de analist vertraagd worden herhaald. Laten we nog even goed kijken: produceerde de lijsttrekker hier een spontane dan wel een geforceerde glimlach? Ai, ai, ai. Terwijl het toch al niet zo goed met hem ging. Sterker nog, hij was ,,door het ijs gezakt’’. Aldus Huub Stapel, begin jaren tachtig van de vorige eeuw, ten tijde van de ‘no nonsense’-kabinetten van premier Lubbers doorgebroken als acteur, maar afgelopen zondag door RTL ingehuurd als voor- en nabeschouwer van het ‘premiersdebat’. Gaf immers dramales aan havo-4 voordat hij voor het acteerwerk koos.

Het allesbepalende beeld, daar draait het om. PvdA-lijsttrekker Job Cohen lijkt hiervan, na enkele openbare optredens, als eerste in deze campagne de dupe te zijn. Terwijl de kijkers in een opiniepeiling de oud-burgemeester van Amsterdam afgelopen zondag aanwezen als de op één na beste werd hij door het deskundigenpanel van RTL volledig afgebrand. Hun oordeel vormde vervolgens weer de basis voor de kleedkamergesprekken met de spelers zelf.

Cohen in de problemen. Welke problemen? Het probleem is dat het beeld niet overeenstemt met het beeld zoals dat begin maart werd geconstrueerd, toen hij verrassend naar voren trad als opvolger van Wouter Bos. Toen was Cohen de onaantastbare, die dankzij deze ‘meesterzet’ van de PvdA de verkiezingsstrijd een dramatische wending kon geven. Maar in het echt, althans: in de debatten, blijkt de onaantastbare vooral kwetsbaar te zijn en slaat de euforie net zo hard om in scepsis en wordt hij in de verdediging gedwongen. Bij zijn tweede grote televisiedebat van afgelopen week stond bij de nabeschouwers de vraag centraal of Cohen zich zou weten te revancheren. Niet dus, volgens hen. Wederom was hij ‘door het ijs gezakt’. Dus moet Cohen door de debatten nu de komende tijd vooral tegen zijn eigen beeld in plaats van zijn eigen tegenstanders vechten.

Het tegenovergestelde overkomt VVD-leider Mark Rutte. Zijn partij, die begin dit jaar in de peilingen nog een zieltogend bestaan leidde, zit nu al enkele maanden in de lift. De VVD kan voor het eerst in de Nederlandse parlementaire geschiedenis de grootste partij van het land worden. Het geeft weer een heel nieuwe dimensie aan de campagne. Opeens is niet Cohen, maar Rutte de spreekwoordelijke ‘new kid on the block’. Hij kreeg vorige week, na het debat op de radio waarmee de politieke Champions League begon, de krantenkoppen waarvan campagneteams dromen: ‘Rutte winnaar’, ‘Ontspannen Rutte scoort’.

Gaat het om het VVD-programma? De ideeën van de VVD zijn niet veranderd. Het gaat om de vertolker van het programma. En daarmee om de debatten.

Nieuwe gezichtspunten hebben de debatten tot nu toe nauwelijks opgeleverd. Dat kan ook niet, want de partijprogramma’s zijn al weken bekend. Nieuws zit hooguit in de mate waarmee de lijsttrekkers aan hun programma wensen vast te houden. Van CDA-leider Balkenende is sinds het radiodebat van vorige week bekend dat hij van handhaving van de hypotheekrenteaftrek in de kabinetsformatie een breekpunt wil maken. D66-lijsttrekker Pechtold draaide het afgelopen woensdag in het economiedebat bij RTL om: hij stapt niet in een kabinet dat de woningmarkt ongemoeid laat.

Of de kiezers zich dit netto-resultaat van de debatten straks bij de verkiezingen nog weten te herinneren, valt te betwijfelen. Doorslaggevend bij hen is toch de algemene indruk die na alle debatten is blijven hangen van de politieke aanvoerders. Over dat beeld kan nauwelijks nog verwarring bestaan.