Er gloort weer hoop voor de kompels van Goslar

De Rammelsberg in Goslar, een van de beroemdste mijnen van Duitsland, ging in 1988 dicht. De mijnwerkers hopen nu op een nieuwe goldrush.

Even checken. Nee, we hebben met onze mobiele telefoon geen bereik diep in de Rammelsberg in Goslar, een voormalige mijnbouwstad in de Harz. We zijn per mijnspoorbaan vijfhonderd meter de berg ingereden. Het is koud, nat en donker. En we zitten opgevouwen in een lorrie, hetzelfde ratelende karretje dat tot ruim twintig jaar geleden mijnwerkers naar hun werkplek vervoerde.

De Rammelsberg is een van de beroemdste mijnen van Duitsland. Tot zijn sluiting werden hier door Preussag, een mijnfirma, veel grondstoffen gedolven: koper, zink en lood om er een paar te noemen. In vorige eeuwen is ook goud en zilver uit de grond gehaald. Meer dan duizend jaar is hier mijnbouw gepleegd, maar op 30 juni 1988 was het afgelopen. De Rammelsberg was uitgeput. Dertig miljoen ton erts had de mijn opgeleverd.

Duitsers wroeten graag in de grond. Het zijn geboren mijnbouwers. Aan het Noordzeestrand is dat goed te zien. Hun kuilen zijn beter gebouwd dan die van de andere badgasten. De Duitse mijnbouw heeft een lange traditie. Het Roergebied, Saarland, Saksen, Thüringen, de Harz en andere regio’s hebben lang van hun mijnen geleefd. Dat is nu bijna afgelopen. De winning is te duur geworden. Steenkool komt niet meer uit Gelsenkirchen, maar uit Australië. Goud en koper worden in Afrika gewonnen; niet in de Harz. Met de industrie sterft een eeuwenoude Duitse cultuur.

Hans Vatlinke, een gepensioneerde mijnwerker, betreurt dat. Hij heeft jarenlang bij Preussag gewerkt, in de Rammelsberg van Goslar. Nu leidt hij in z’n oude kompelpak bezoekers in de mijn rond. De Rammelsberg is sinds het vertrek van Preussag gelaten zoals hij tweeëntwintig jaar geleden was, toen de laatste wagen met erts naar boven kwam. In 1992 is de mijn op de Unescolijst van werelderfgoed gezet. Het is een industrieel monument; een aandenken aan een tijd die voorgoed voorbij is.

Of toch niet? Vatlinke’s ogen lichten op als hij vertelt dat er sinds kort weer belangstelling is voor de opgegeven Rammelsberg en omgeving. De Deense mijnbouwonderneming Scandinavian Highlands laat proefboringen doen naar ertslagen in het stroomgebied van de Gose, het riviertje waaraan Goslar zijn naam te danken heeft. Het zou om een serieuze zaak gaan.

Op enkele kilometers van de Rammelsberg bevindt zich een zinkvoorkomen van grote omvang. Waarschijnlijk op grote diepte: 500 tot 800 meter. In de Goslarsche Zeitung worden al bedragen genoemd. Exploitatie ervan kan tien miljard dollar netto opleveren. In Goslar moeten ze moeite doen om bij het vermelden hiervan nuchter te blijven. „Het moet nog wel even uit de grond worden gehaald”, zegt Vatlinke, die ervaringsdeskundige is. Dit najaar moet meer bekend zijn over de resultaten van de proefboringen.

De nieuwe goldrush van Goslar zou een zinc-rush zijn. Oude tijden zouden herleven. De stad heeft zijn bestaan en bloei in de Middeleeuwen aan zijn ertsvoorraden te danken. Hendrik II, uit het geslacht van de Liodolfingen, liet in de elfde eeuw aan de voet van de Rammelsberg zijn (bewaard gebleven) keizerpalts bouwen, een paleis van waaruit hij het plaatselijke zilvervoorkomen beheerde.

Er zijn weinig mijnen in de wereld die zo lang zo veel geld opleverden als de Rammelsberg. Goslar leeft sinds de sluiting van de mijn deels van het toerisme. Als teken van een veranderende tijd is Preussag opgegaan in het Duitse transport- en toerismeconcern TUI, een naam die oud-kompel Hans Vatlinke met nauw onderdrukte weerzin uitspreekt. De rondleidingen in de opgedoekte mijn zijn leuk en de toeristen genieten, maar Vatlinke weet ook wat echt belangrijk is. „We duimen ervoor dat de voorraden winbaar zijn”, zegt hij handenwrijvend, bij voorbaat tevreden dat het tij gekeerd lijkt te zijn.