'Een graankorrel is een wonder'

Wim Bredenoord (1922) kwam als 14-jarige jongen in de maalderij van zijn vader. ‘Je hart volgen is mooi, maar soms is het onzakelijk.’

‘De graanmaalderij was opgericht door een zekere meneer Van Ree. Mijn vader kwam als jongeman bij hem in betrekking en deed daarna nog een jaar werkervaring op bij een maalderij in Kockengen, bij Breukelen. Daar leerde hij mijn moeder kennen. Hoe dat precies is gegaan, weet ik niet. Over persoonlijke dingen praatten we vroeger niet zoveel.

„De vader van mijn vader was jong overleden en zijn moeder was hertrouwd met meneer De Groot. Hun zoon Coert, de halfbroer van mijn vader, werd zijn zakenpartner toen Van Ree in 1919 zijn bedrijf in de verkoop deed. Het was gevestigd in een oude, Arnhemse boerderij die vol stond met machines. De molenstenen werden aangedreven met een gasmotor. Het graan kwam van boerderijen uit de omgeving en werd deels als meel voor brood en deels als voer voor kippen, varkens en duiven verhandeld. Voor het vervoer werden een transportfiets en twee trekpaarden gebruikt.

„Ik ben opgegroeid in het huis tegenover de maalderij. Op zondag mochten wij kinderen om beurten de paarden verzorgen. Het paard op de foto heette Frits. Frits was een bijzonder dier. Toen mijn vader hem kocht, had hij een bult bij zijn oog waardoor hij minder goed kon zien. De verkoper stelde een korting voor en zei dat de bult vanzelf weg zou trekken. Mijn vader waagde de gok en de bult genas. Frits en ik hadden een goed contact.

„In 1936 overleed Coert. Mijn vader vroeg of ik bij hem in de zaak wilde komen, en ik zei ‘ja’, zonder aarzelen. Ik heb wel eerst de mulo afgemaakt. Als ik aan klasgenoten vertelde dat ik in de maalderij ging werken, zeiden ze: ‘Wat, in dat vieze stof?’ Zo zagen zij het. Ik niet. Ik heb het altijd een mooi vak gevonden. Ik heb nooit de ambities of het idee gehad om iets anders te gaan doen. Een graankorrel is een wonder.

„Mijn vader is maar 57 jaar geworden. Hij had astmatische bronchitis, waarschijnlijk door het werken in het stof. Als hij nu geleefd had, was er gewoon een stukje uit zijn luchtpijp gehaald en had hij het gered, maar dat kon toen nog niet.

„Na mijn vaders dood kreeg ik de leiding over de maalderij. Ik was 24 en verloofd. Drie jaar later trouwden we en vonden we een huis vlakbij de zaak. Mijn vrouw dacht met me mee en deed vaak de administratie. Mijn moeder bleef aan de overkant wonen en kwam elke dag even aan met verse koffie. Ze was een aimabele, zorgzame vrouw.

„Mijn broers en zus zagen voor zichzelf geen toekomst in het familiebedrijf. Met behulp van een goede accountant zijn we tot een vergelijk gekomen: ik heb ze uitgekocht. Drie van mijn vier broers zijn geëmigreerd: twee naar Australië, een naar Zuid-Afrika. Jaap en Maarten waren altijd wel nieuwsgierig naar hoe het ging. Henk en Coen niet.

„Met de jaren veranderde de omgeving ingrijpend. Arnhem-Zuid heb ik nog als weiland gekend; dat werd helemaal volgebouwd. De boerderijen werden vervangen door hoogbouw. De boerenstand verdween, en de bakker en de slager op de hoek ook. Wij konden alleen overleven doordat we de boeren als afnemers hebben laten schieten en ons gingen concentreren op meel voor bakkerijen, in een steeds wijdere omtrek. Het zelf graan malen raakte op de achtergrond; het werd steeds meer een handel.

„In 1978 heb ik een groot nieuw pand laten bouwen, met een kantoor, een opslagplaats en parkeerruimte voor twee trucks met aanhangwagen. Toen was het malen echt voorbij. Ik miste het, maar er zat niets anders op. Je hart volgen is mooi, maar soms is het totaal onzakelijk.”

Ze bewegen langzaam, maar de tijd staat hier niet stil. De wereld komt de flat binnen via een forse flatscreen-tv. Zijn vrouw somt op hoe oud hun beider ouders zijn geworden; ze hebben ze alle vier ruimschoots overleefd. Wie had dat gedacht?

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl