Drieduizend Brabantse biggetjes voor de Britse bacon

Stel dat de Partij voor de Dieren aan de macht is en premier Marianne Thieme afkondigt dat de veehouderij alleen nog voor binnenlandse consumptie mag produceren. Omdat zij een einde wil aan wat zij de bio-industrie noemt. „Dan is de kans groot dat veel varkenshouderijen moeten stoppen”, zegt Cees van den Broek, varkenshouder in Oud-Gastel. „Ik ook. Wij produceren baconvlees voor de Britse markt. We hebben dit bedrijf stukje bij beetje opgebouwd. Het is ons levenswerk. Daarom weet ik zeker dat wij het nooit zo ver zullen laten komen. Wij zijn knokkers.”

Cees van den Broek (45) is een joviale, vlot pratende varkenshouder. Hij begon op zijn twintigste in het Midden-Brabantse Moergestel, waar hij een bedrijf van een oom en tante overnam. Hij had dertig zeugen en 180 vleesvarkens. „Idyllisch. Alles op het stro. Maar na vijf jaar had ik geen stuiver verdiend.”

Hij verhuisde naar Oud-Gastel in West-Brabant. Samen met zijn vrouw en drie kinderen (van tien, dertien en vijftien) verzorgt hij 450 zeugen en drieduizend vleesvarkens. „Per week zijn we honderd uur bezig.” Ze hebben een gesloten bedrijf. „Dat betekent alles van zaadje tot karbonaadje in eigen huis. Het enige wat ik inkoop, zijn sperma en veevoer.” Na de inseminatie werpen de zeugen gemiddeld ruim dertien biggen. Die worden in een half jaar vetgemest. „Ze eten aan een lange trog. Net als mensen aan een feesttafel. Zien eten doet eten.” Als ze de 120 kilo hebben bereikt, vertrekken de varkens. „Voor de barbecue.” Tien procent blijft om weer biggen te werpen.

Veel partijen willen de omvang van de intensieve veehouderij beperken. Van den Broek heeft daar begrip voor. „In Oost-Duitsland en Polen heb je bedrijven met wel tienduizend zeugen. Dan praat je over honderdduizend varkens. Ik kan me voorstellen dat Nederlanders dat niet willen.” Aan de andere kant is uitbreiden soms bittere noodzaak. Zelf zit Van den Broek op vierhonderd meter afstand van een natuurgebiedje, het Gastelslaag, en hij heeft nog emissierechten voor 750 zeugen en drieduizend vleesvarkens. Hij kan dus nog uitbreiden. Maar hij heeft het er moeilijk mee. „Als Bartje straks aan de bak gaat, dan moeten er toch momenten in zijn leven zijn om stappen te nemen?”

Voor de stank en de luchtvervuiling hoef je uitbreiding niet te laten, zegt hij. Die is al veel minder geworden dankzij de luchtwassers. Van den Broek heeft er voor enkele tonnen een paar geplaatst.

De landelijke politiek wil de aantallen dieren ook reduceren. Zo wil GroenLinks de veestapel in Nederland met 10 procent inkrimpen. „Kan ik begrijpen, hoor”, zegt Cees van den Broek. „Ik wil best minder dieren. Maar dan wil ik ook een eerlijke prijs voor een eerlijk product krijgen. Want waarom is de prijs van het vlees de afgelopen jaren zo laag geworden? Door de schaalvergroting!” Dus tegen een vleesbelasting heeft hij geen bezwaar. „Als wij in de opbrengst delen.”

Met de discussie over megastallen heeft hij meer moeite. De provincie Noord-Brabant besloot onlangs dat alleen in bepaalde gebieden stallen mogen worden gebouwd die groter zijn dan anderhalve hectare. Dat vinden GroenLinks, de PvdA en de ChristenUnie een goed idee. Maar, zegt Van den Broek, de politiek wil óók graag dat de varkens in hun hokken meer ruimte krijgen. Dat pleit toch vóór megastallen? Cees van den Broek wijst naar een industrieterrein. „Daar staan industriehallen voor een transportbedrijf van tien hectare groot. Daar passen alle varkensstallen van onze gemeente in. Maar als wij meer ruimte willen, dan wordt er gezegd: ho boertje, wacht even.”

Nee, eigenlijk kan Van den Broek niet anders dan CDA stemmen. „Bij die partij voel ik me thuis.” Een partij die volgens hem beseft dat de intensieve veehouderij een te belangrijke sector is om zo maar even af te schaffen. Denk alleen al aan de banen die de sector genereert bij toeleveranciers als veevoederbedrijven en slachterijen. En de berg afval die zijn varkens elke dag opnieuw wegschrokken? Wei. Aardappelzetmeel. Bietenpulp. Van den Broek: „Die hele berg ruimen zij op.”