De politici praten over geld maar niemand praat over de euro

De crisis rond de euro moet politici eindelijk tot het besef brengen dat één Europese munt maar de helft van het verhaal is. De andere helft: meer Europese integratie, op straffe van een fiasco.

Voormalig directeur van de Nederlandsche Bank en oud-hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Amsterdam. Auteur van ‘De euro. Politieke achtergronden van de wording van een munt’ (Mets & Schilt, 2001).

De recente koersdaling van de euro tegenover de dollar is niet zorgwekkend. Wel is haar oorzaak dat: vrees van beleggers dat de sterk opgelopen en nog steeds stijgende schulden van de Griekse overheid onbeheersbaar worden, met ontwrichtende gevolgen elders. Tot voor kort was het refrein nog hoe gelukkig we waren tijdens de kredietcrisis de euro te hebben. Anders zouden we bovenop de andere narigheden ook nog onderlinge valutacrises hebben. Nu vraagt men zich af of de euro 2011 nog wel haalt. Komt die omslag alleen door Griekenland, of zijn er fundamentelere problemen?

De euro werd tot stand gebracht zonder dat politiek en publiek meer dan een vaag idee hadden waarom dat gebeurde en wat het inhield, laat staan dat zij dat laatste werkelijk aanvaardden. Ter illustratie twee citaten op het hoogste politieke niveau. In mei 1990, in de aanloop naar de top in Maastricht, vroeg de toenmalige minister-president zich in de Trèveszaal af of de politieke autoriteiten wel wisten waar ze mee bezig waren. En in juni 2002 stelde zijn opvolger in een afscheidsinterview: „Maar slechts weinigen begrepen hoe ingrijpend de implicaties [van de invoering van de euro] zou(den) zijn voor de politieke integratie.” Het draagvlak is daardoor beperkt.

Voorts voldeden sommige landen – zoals Italië en Griekenland – ook met de kennis van toen noch bij toetreding noch later aan de eisen in verdrag en Stabiliteits- en groeipact. Zo werd de groep minder homogeen dan was bedoeld. De sancties in het verdrag lenen zich meer voor dreiging dan toepassing. In een homogene groep had dat misschien gewerkt, nu niet. De enige effectieve sanctie was landen die niet voldeden niet toelaten. Die sanctie verviel bij toelating.

Als de verplichtingen worden genegeerd en dat wordt gedoogd, blijft alleen marktdiscipline over. De gebreken daarvan werden door de centralebankpresidenten in het rapport-Delors van april 1989 als volgt verwoord: zij werkt nu eens te traag en te zwak, en dan weer te sterk en abrupt. Het Griekse voorbeeld illustreert dat. Lange tijd kon de Griekse overheid haar tekorten moeiteloos financieren tegen een slechts gering verhoogde rente. Natuurlijk wisten de geldverschaffers, financiële instellingen in andere EMU-landen, dat de overheidsfinanciën niet in orde waren. Maar zij gingen ervan uit dat de andere EMU-landen Griekenland zo nodig zouden helpen. Dat dit volgens het verdrag niet mocht, was bekend. Maar zij rekenden er op dat de andere landen dat verbod zouden negeren, zoals zij eerder ook de toelatingseisen hadden genegeerd. En dus werden de Griekse schulden aan instellingen in EMU-landen zo groot dat die landen, toen het ten slotte misliep, geen andere mogelijkheid zagen dan inderdaad het verbod te negeren. Zo leidt de ene verdragsovertreding tot de volgende.

Daarmee zijn we bij de kern van het probleem. Een kunstmatige – niet historisch gegroeide – munt als de euro ontleent zijn legitimiteit en geloofwaardigheid geheel aan verdragsverplichtingen. Wie deze telkens negeert zodra het knelt, speelt met die geloofwaardigheid. Wie stelselmatig speelt met de geloofwaardigheid van de munt speelt met vuur.

Loopt de euro gevaar? Zijn bestaan nog niet. Wel is de vraag wélke euro het wordt. Sinds het begin van het Europese integratieproces woedt strijd over de vraag hoe bij onevenwichtigheden de aanpassingslasten moeten worden verdeeld over economisch sterke en zwakke landen. De Fransen willen een grotere last leggen op de overschotlanden, vooral Duitsland. Zij hoopten in de euro een instrument te krijgen om dat te bevorderen. De Duitsers, met hun historisch bepaalde allergie voor inflatie, stellen prijsstabiliteit voorop. Een onafhankelijke centrale bank en evenwichtige nationale overheidsfinanciën waren voorwaarde om de D-mark op te geven. Eén voor één zien zij de garanties die zij in deze deal hebben bedongen en in het Verdrag en Stabiliteitspact hebben laten vastleggen, een dode letter worden. De allergische reactie in Duitsland op de aankondiging door de Europese Centrale Bank van steunaankopen in bepaald (lees: Grieks) overheidspapier moet in dat verband worden gezien.

Deze ontwikkelingen en de negatieve reactie daarop in de Duitse publieke opinie had de bondskanselier op het oog toen zij in de Bondsdag haar zorg uitsprak over het gevaar voor de euro en de ‘existentiële beproeving’ waarvoor Europa staat. In de week dat het Duitse parlement met grote tegenzin zijn goedkeuring hechtte aan een (door het verdrag niet toegestane) kolossale steunregeling, kopte NRC Handelsblad: ‘Geduld met Duitsers raakt op’. Mevrouw Merkels zorg is juist dat het geduld van de Duitsers opraakt. De politieke gevolgen van het opgeven van de euro noemt zij ‘zelfs in gedachten niet voorstelbaar’. Maar een voortzetting van de gang van zaken tot nu toe, een Transferunion, is niet aanvaardbaar en zou haar – zo heeft zij inmiddels kunnen vaststellen – politiek de kop kosten. Daarom haar nadruk op solide overheidsfinanciën als hoeksteen van alle inspanningen, haar uitspraak dat „de regels zich niet moeten richten naar de zwaksten maar naar de sterksten”, en haar kritiek op de verandering en afzwakking van het Stabiliteitspact in 2004, die zij een grote fout noemt.

Effectieve mogelijkheden om naleving van aangegane verplichtingen zo nodig af te dwingen zijn onmisbaar: zonder afdwingbaarheid geen duurzaamheid. Duitsland suggereert inhouding van uitkeringen uit het structuurfonds, opschorting van het stemrecht. Ook wordt gedacht aan procedures voor een geordende insolventie van debiteurstaten: het verbod op onderlinge steun – de no bailout-bepaling – zou daardoor misschien geloofwaardiger worden.

Maar regels en procedures, hoe nodig ook, zijn niet genoeg voor oplossing van een in wezen politiek probleem. President Holtrop van De Nederlandsche Bank schreef al een halve eeuw geleden dat de munt een attribuut is van de soevereiniteit: je kunt het attribuut niet integreren zonder inperking te aanvaarden van de nationale soevereiniteit. Landen met een gezamenlijke munt werden monetair en financieel elkaars binnenland, met de lusten en lasten van dien. Nu we met de neus op de feiten worden gedrukt begint dat door te dringen.

Maar de politieke implicaties moeten nog onder ogen worden gezien. De politiek zal niet blijvend ontkomen aan een antwoord op de vraag hoe de verdere ontwikkeling van de Europese integratie te zien.

Partijen en coalities zullen daarover standpunten moeten innemen en proberen het daarvoor nodige draagvlak te verwerven. Ook, en juist, in verkiezingstijd.