Altijd oorlog op het eiland

Veertig Amerikaanse legerbases verstikken het Japanse eiland Okinawa. Marinebasis Futenma moet verhuizen. Naar elders in Japan? Of toch weer voor de kust van Okinawa, desnoods ten koste van de zeekoe? Okinawa, speelbal van de geschiedenis.

Zangeres Sumiko Yaseyama heeft de kleinste jazzclub van het eiland, misschien wel van de wereld. Club Interlude is een pijpenla met ruimte voor hooguit twintig liefhebbers. Oranje gordijnstof op de muur, rood velours aan het plafond, dof zwart leer op de deuren. Een contrabas leunt nonchalant tegen een paneel houtsnijwerk. Verwelkte tulpen buigen eerbiedig naar het podiumpje waar de 69-jarige Yaseyama optreedt, begeleid door haar pianist.

Hier, in het centrum van Naha, de hoofdstad van het Japanse eiland Okinawa, laat Yaseyama het verleden swingen. Fly me to the moon. En niet te vergeten My funny Valentine.

Yaseyama leerde de jazz kennen na de oorlog toen ze als schoolmeisje optrad voor de Amerikaanse militairen op het eiland. „Het was de muziek van de vijand. Maar het was ook de muziek van de vrijheid.”

De jazz is er nog steeds, net als de Amerikanen. Hun veertig legerbases beslaan eenvijfde van het eiland. Maar op ansichtkaarten geen spoor van oorlogstuig, van groene uniformen, vliegtuigen en prikkeldraad. Ansichtkaarten laten Okinawa liever zien als het eiland van verlaten stranden en koraal waar jaarlijks honderdduizenden Japanners genieten van zon en zorgeloosheid. ‘Okinawa, Smile Island, Welcome to the Eden of Japan’, ronkt het plaatselijke verkeersbureau.

Van de 47.000 Amerikaanse militairen die in Japan zijn gelegerd, is de helft op Okinawa gestationeerd. Okinawa maakt maar 0,6 procent van het Japanse grondgebied uit. Iedereen op het eiland kent deze cijfers. Ze illustreren hoe onevenredig zwaar het eiland belast wordt door het veiligheidspact tussen Japan en de VS.

Vorige maand nog gingen honderdduizend mensen in de hoofdstad de straat op om het vertrek van de Amerikanen te eisen. Dat deden ze eerder in de jaren zestig en zeventig toen B-52-bommenwerpers vanaf de luchtmachtbasis Kadena op Okinawa naar Vietnam vertrokken om de Vietcong te bestrijden. Foto’s tonen Okinawa in een tijd dat de regio ziedde van de oorlog. ‘We are not your target!’, schreeuwen duizenden demonstranten bij het hek van Kadena tegen een overvliegende B-52.

De foto’s in de expositieruimte vlakbij Kadena zijn niet besteed aan de groepjes GI’s die verderop verveeld ronddrentelen. Het is middag en het duurt nog even voordat de clubs met de vrouwen opengaan: Club Queen, Manila Bay Café en karaokebar Key Stone.

Ginowan is de stad waar de omstreden marinebasis Futenma huist. Vandaag wordt de rust slechts verstoord door het sonore gedreun van twee Amerikaanse helikopters. Niemand kijkt ervan op, ook niet de meisjes in hun blauwe schooltenue die op weg zijn naar huis. Meestal is het lawaai van de helikopters hier niet te harden, zegt burgemeester Yoichi Iha. „Ze stijgen wel driehonderd keer per dag op, en dat boven een stad met 90.000 inwoners.”

Futenma is een militaire enclave van beton, gras en groen, midden in een dichtbevolkte stad. Huizen, scholen en de universiteit staan bijna tot aan de hekken van de basis. Vroeger lagen daar rijstvelden. Burgemeester Iha: „Je houdt je hart elke dag vast.”

De toekomst van de marinebasis bederft al maanden de sfeer tussen Japan en de Verenigde Staten. Vier jaar geleden leken de twee landen een oplossing voor het probleem Futenma te hebben gevonden. Zij spraken af dat de helikopters zouden verhuizen naar een basis in zee, bij Heneko in het dunbevolkte noorden van het eiland. Onderdeel van het akkoord was ook de verhuizing van 8.000 mariniers naar het eiland Guam in de Grote Oceaan.

Maar de Japanse premier Hatoyama won vorig jaar de verkiezingen met zijn roep om vernieuwing. En hij beloofde dat Futenma misschien wel helemaal van het eiland zou verdwijnen. Maar nergens anders in Japan bleek de bevolking trek te hebben in stappende militairen en het lawaai van helikopters. Hij is terug bij af en zal zich waarschijnlijk nog deze week bij het akkoord van 2006 moeten neerleggen. Hij zegt dat de dreiging van Noord-Korea en de opmars van China op zee nu zwaarder wegen.

Okinawa wacht al lang op een toekomst zonder Amerikanen. Al in 1996 besloten Japan en de VS dat de Amerikaanse aanwezigheid op het eiland moest worden verminderd. Aanleiding was de ontvoering en verkrachting een jaar eerder van een twaalfjarig schoolmeisje door drie Amerikaanse militairen. Die hadden er speciaal een auto voor gehuurd. Voor hetzelfde geld hadden ze liefde kunnen kopen, reageerde de legerleiding tactloos. Honderdduizend mensen gingen woedend de straat op. Sinds 1972 waren er vier- tot vijfduizend incidenten geweest met militairen. Het eiland voelde zich vernederd en in de steek gelaten.

Speelbal

Okinawa ziet zich als speelbal van ‘vreemde’ machten. Van Washington en Tokio. Vroeger, toen Okinawa en de omringende eilanden nog het onafhankelijke koninkrijk van Ryukyu vormde, wisten de inwoners zich vreedzaam te handhaven tussen de Japanse shoguns en de Chinese keizer. Ryukyu had een eigen cultuur en een eigen taal. Tot Japan de eilandengroep in de negentiende eeuw inlijfde en de taal en cultuur van het vasteland opdrong. Okinawa, eiland van boeren en vissers, werd een kolonie van Japan.

In de Tweede Wereldoorlog werd Okinawa meegesleurd met de gewelddadige expansie van het moederland. De Amerikanen versloegen het keizerlijke leger in een een bloedige slag die 82 dagen duurde. Over het eiland raasde een ‘tyfoon van staal’. De prijs was hoog: 230.000 doden onder wie meer dan honderdduizend inwoners van Okinawa. Velen pleegden zelfmoord op last van het Japanse leger. Alle namen staan gebeiteld in de marmeren panelen in het vredespark aan de zuidkust. Het park ligt achter de kliffen bij Kyan, de tragische kaap, waar het hardst werd gevochten. Vandaag kleurt de zee daar grijs door harde wind en onophoudelijke regenbuien. „U heeft nog genoeg tijd om ook even bij de Amerikanen te gaan kijken”, zegt de reisleidster met roze pakje en bolhoed. Haar paraplu wijst naar de marmeren gedenktekens waar de namen van de Amerikanen staan: 13.000 in getal.

Het Japanse ministerie van onderwijs probeerde in 2007 de gedwongen zelfmoorden op Okinawa uit de geschiedenisboekjes te schrappen. Ook toen gingen honderdduizend woedende mensen de straat op. Opnieuw voelde Okinawa zich overheerst.

Masahide Ota (84) is oud-gouverneur van Okinawa. Hij weet wat het verschil is tussen Japan en Okinawa. „Japan heeft een oorlogscultuur, wij een vredescultuur”. Zij decoreren hun samoeraizwaarden. Wij adoreren onze sanshin, de gitaar met drie snaren.”

Protectoraat

De oud-gouverneur is hét symbool van het verzet tegen de Amerikaanse aanwezigheid op het eiland. Ota heeft tientallen boeken op zijn naam staan. Over de slag om Okinawa. Over de identiteit van het volk. In 1990 werd hij tot gouverneur gekozen met de belofte dat hij de bases van het eiland zou verdrijven. De linkse Ota hield het twee termijnen vol tot hij uiteindelijk werd gemangeld tussen Amerikaanse belangen en heersende krachten in Tokio.

Bij de verkiezingen eind jaren negentig verloor hij nipt van zijn conservatieve tegenstander.

Ota ondervond de Japanisering van Okinawa aan den lijve. In de oorlog werd hij ingelijfd bij het studentencorps Bloed en IJzer. Hij raakte gewond bij de gevechten. Op gebruik van de eigen taal stond executie. „Je werd als spion gezien.”

Na de oorlog volgden nieuwe overheersers. Japan was verslagen, de Amerikanen bleven. Terwijl het verwoeste Japan naar een nieuwe toekomst zocht, na twee atoombommen en ontheiliging van de keizer, vocht Okinawa tegen honger en vervreemding. Het eiland werd een protectoraat van de VS.

„Het ontbrak ons aan de meest fundamentele rechten. Als je een ongeluk veroorzaakte, kwam je voor een Amerikaanse militaire rechtbank”, vertelt Seizo Oshiro (79), voormalig topambtenaar. De Amerikanen legden graag de nadruk op de eigen identiteit van het eiland. „Ze wilden per se dat we het over Ryukyu hadden”, vertelt de oud-ambtenaar. „Niet over Okinawa. Ze zeiden: ‘Jullie zijn van een ander ras dan de Japanners’.”

Duizenden eilanders trokken naar Bolivia op zoek naar voedsel en perspectief. Taira Katsuaki (48) werd in Colonia Okinawa geboren, in een afgelegen streek van Bolivia waar de rubberteelt booming was. Zijn ouders hadden een boottocht van twee maanden moeten maken. Het was geen gedwongen emigratie, maar veel keus hadden ze niet. Boeren die na de oorlog weer aan de slag wilden, konden hun land niet meer verbouwen. ‘Natives off-limits’, meldden de borden van de Amerikanen.

In 1972 droegen de Amerikanen Okinawa weer over aan Japan. Maar de bases bleven. De bases waar het merendeel van de bevolking vanaf wil, zoals uit een peiling van lokale kranten blijkt.

Winkelkermis

Maar niet iedereen op Okinawa wil de Amerikanen kwijt. Jongeren komen graag in discotheken waar de Amerikaanse militairen ook komen. En de opendagen op vliegveld Kadena zijn populair. „Het geeft me de kans om Engels te spreken. De militairen geven Okinawa een internationaal karakter”, zegt studente Miki Arakaki (18) uit Naha.

De barkeeper van Sunset Beach Parlor, een strandtent in American Village wil de Amerikanen niet missen. „Onze mentaliteit en de American way of life passen goed bij elkaar. Het is hier veel relaxter dan in Tokio.”

American Village is een winkelkermis in de stad Chatan waar de Amerikanen van Kadena Air Base, Camp Lester and Camp Foster graag komen. Dat geldt ook voor mensen van het eiland en Japanse toeristen. Genoeg Japanse clientèle voor Amerikaanse dumpspullen, hoog opgetast in megazaken. Amerika gebruikt Okinawa, Okinawa recyclet Amerika.

Takashi Miyagi (33) schetst de ambivalentie van de bevolking tegenover de Amerikanen. Hij is een van de duizenden Amerasians op het eiland, kinderen van een Amerikaanse vader en een Japanse moeder.

„Toen ik op de lagere school zat, had ik wel last van mijn uiterlijk. Op dagen dat de oorlog werd herdacht, zeiden mijn klasgenoten dat mijn vader verantwoordelijk was voor alle oorlogsleed. Op latere leeftijd sloeg de stemming om in bewondering”, zegt Miyagi, die zich Travis Miller noemt, een naam die beter aansluit bij zijn westerse uiterlijk.

De Amerikanen hielpen Okinawa na de oorlog op de been, eerst met eten, later met een universiteit. De welvaart groeide. Het Amerikaanse leger groeide uit tot grootste werkgever van het eiland. Maar zonder de verstikkende invloed van de Amerikanen zou het Okinawa misschien beter gaan, zou er meer ruimte zijn voor vernieuwende industrie en voor de verdere ontwikkeling van toerisme.

Oud-gouverneur Ota schetst de achterstand die Okinawa heeft opgelopen op het vasteland. „Wij zijn het armste departement van Japan. Het inkomen is hier half zo hoog als in Tokio. De werkloosheid ligt twee keer zo hoog als op het vasteland”.

Japan, dat een pacifistische grondwet heeft, hoefde zich door de Amerikaanse militaire aanwezigheid niet te bewapenen. Het kon alle energie steken in wederopbouw en uitgroeien tot tweede economie van de wereld. Okinawa betaalde de prijs.

De zee bij Henoko rust. De voorjaarszon schildert het water blauw in alle tinten. Het strand ligt er verstild bij met rotsen en aangespoeld koraal. Aan de overkant van de baai ligt Camp Schwab, waar de marine oefent. Vlakbij moet in zee de ‘heliport’ komen, ter vervanging van Futenma, om Ginowan te verlossen van herrie en angst.

Daar waar het koraal de zee breekt, graast de beschermde zeekoe van Okinawa, de Dugong Dugon. Het beest moet het hebben van het zeegras dat hier groeit. In zijn hutje met kajaks en visnetten kijkt Takuma Higashi ernstig. Hij voert al dertien jaar actie voor de Dugong. Hij vreest de nederlaag. „Dit is het leefgebied van de Dugong. Hij hoort bij onze cultuur.”

In jazzclub Interlude gaan de eerste gasten weg. Zangeres Sumiko Yaseyama haalt nog een keer uit. „That’s Life!”