Was die tweede huid maar weg

In het werk van Shirin Neshat bestaat spanning tussen ethiek en esthetiek. De chador speelt er een hoofdrol, als fraai visueel element. Haar eerste speelfilm ‘Women without men’ is te zien op festival Doku Arts.

In Women Without Men, de eerste speelfilm van de Iraans-Amerikaanse beeldend kunstenaar Shirin Neshat, zien we een vrouw op haar rug. Op haar achterhoofd is juister, want we zien de vrouw niet ten voeten uit. Het beeld is bijna een close-up van haar haar. Donker haar met een slag erin, misschien kun je het zelfs wel krullend noemen. Het haar beweegt in de wind, zoals we iets eerder in de film een chador hebben zien bewegen, zo’n zwarte mantel die het haar en de rest van het lichaam bedekt; een tweede huid die nog beter dan haar kan fladderen.

In het Westen heeft de chador geen goede naam. Hij bedekt het gezicht niet, zoals de boerka, die sommige landen willen verbieden, maar wel de borsten, de billen, de buik, de ellepijpen en het strottenhoofd. Heel de drekzak die het menselijk lichaam is, krijgt nog eens een bedekking. Daar hoeven we niet meer naar te kijken.

Het is een lelijk, vormeloos ding, zou je ook kunnen zeggen, een ding dat veel mooiere vormen aan het oog onttrekt, niet alleen borsten en billen, maar ook sleutelbeenderen, kuiten en schouderbladen; dingen die de westerse kledingcode wel toestaat; voor een kuit hoef je niet naar het strand, voor een dij niet naar de pornotheek, die zijn gewoon op straat verkrijgbaar. O, de schouderbladen van sommige dunne vrouwen; aanhechtingspunt voor vleugels.

Die bedekking, daar zijn een heleboel ethische bezwaren tegen in te brengen maar in het beeldende werk van Neshat gebeurt dat vaak niet, of niet alleen. Vrouwen in haar films worden niet alleen onderdrukt, zitten niet alleen gevangen in een gevangenis van stof, ze zijn ook pionnen in een ander spel, dat ditmaal door een seksegenoot wordt gespeeld. Shirin Neshat, ook een vrouw, trekt aan de touwtjes. Vrouwen in chadors hebben in haar werk bijzonder mooie plaatjes opgeleverd. Spannende plaatjes zelfs; je zou haar werk in zekere zin een soort omgekeerde striptease kunnen noemen. Want het gaat er niet om dat de vrouwen hun mantels uit zouden kunnen trekken, het gaat er juist om dat ze ze aanhebben.

Spanning tussen ethiek en esthetiek ligt altijd op de loer in de westerse kunst, waartoe ook het werk van Neshat, geboren in Iran maar opgeleid in de VS, gerekend moet worden. Vorm en inhoud kunnen soms niet goed op elkaar worden afgestemd. Ook in de fotojournalistiek is dat een probleem. Een foto van uitgemergelde kindertjes moet nog steeds een goed belichte foto van uitgemergelde kindjes zijn, die net zo aan de klassieke compositiewetten moet voldoen als laten we zeggen het Meisje met de parel van Vermeer.

Hoe moeilijk het is om als goede fotograaf plaatjes te schieten die hun doel niet voorbij schieten bewijst bijvoorbeeld het werk van Edward Burtynsky. Hij legde in een boek vast hoe olie gewonnen en verwerkt wordt. Dat is vaak een vuile zaak, weten we uit andere bronnen, maar op de foto’s van Burtynsky is het schitterend. Lelijke en afschuwelijke dingen kunnen dankzij ritme, harmonie, reductie of isolatie net zo mooi worden als mooie en goede dingen. Kunst nivelleert.

Een omzeiling van deze patstelling biedt de abstracte kunst. We gooien de inhoud gewoon overboord. Vorm en kleur alleen kunnen nooit tot moeilijkheden leiden. Dat is ook de weg die god lang geleden koos, als we de Bijbel en de Koran moeten geloven. In het Oude Testament is het tweede gebod een verbod op het maken van afbeeldingen. Nooit geen gelazer meer. Dat er in het Westen bij de opkomst van de abstracte kunst toch gelazer kwam, ligt alleen aan het feit dat het gebod hier zo lang aan de laars gelapt was, in sommige gebieden sinds de beeldenstorm, in andere nog veel langer. Het nieuwe roept altijd weerstand op. In andere culturen, waar ze al eeuwen gewend waren aan abstracte kunst, zijn het juist realistische afbeeldingen die weerstand oproepen.

Hier was het even, laten we zeggen tussen 1910 en 1960, andersom. Schokken doet abstracte kunst hier nu ook niet meer. Maar de oudere spanning tussen ethiek en esthetiek is gebleven.

Wat olie is voor Edward Burtynsky, is de sluier voor Shirin Neshat. In haar werk worden mensen op film gebruikt als verf op een doek. Je kunt er composities mee maken, strak in het gelid die verf, of laat juist maar slierten, dwarrelen, dwalen. Neshat is in dit opzicht een nazaat van een choreograaf als Busby Berkeley, die de massale balletten in Amerikaanse musicals vormgaf. Berkeley had twee inspiratiebronnen voor zijn dansen; fotografie vanuit de lucht en marcherende soldaten. Je komt zulke balletten nu nog wel tegen in Noord-Korea. Je zou daarom kunnen zeggen dat zulke balletten totalitair zijn, maar dat is net zoiets als zeggen dat wit de kleur van de rouw is of geel de kleur van de haat. Er zijn nu eenmaal meer betekenissen dan kleuren. Wit is ook de kleur van de onschuld en geel van de lente. En er zijn meer kleuren dan betekenissen; zelfs het geel van de ene narcis is dat van de andere niet, en van die ene hangt het ook nog maar af van weer, tijdstip, luchtvochtigheid.

In de speelfilm van Neshat komt geel, roze en blauw voor dat uit de jaren vijftig afkomstig lijkt; alsof de film zich niet alleen toen afspeelt maar ook toen is opgenomen.

De kunstfilms van Shirin Neshat zijn vaak in zwart-wit. En ze leken nog vaker in zwart-wit: door de vrouwen in hun mantels, die in Iran altijd zwart zijn. Waarmee zijn vrouwen in chadors te vergelijken? Vogels, kraaien, vleermuizen? Misschien wel met iets wat nog minder vorm heeft. Wind.

In het museum is Shirin Neshat een eenling in het gebruik van de chador als beeldend element. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ze er een monopolie op had, met films als Rapture en Fervour, inmiddels ook al weer tien jaar oud maar nog steeds niet overtroffen. In de bioscoop heeft ze meer concurrentie, vooral uit het land dat ze in 1974, een paar jaar voor de islamitische revolutie, verliet om in de VS te gaan studeren. In Iraanse speelfilms dragen alle vrouwen chadors; zonder zouden de films niet door de censuur komen. Scènes waarin vrouwen in het echt geen hoofddoek om hebben, zoals bij het koken thuis, komen in de Iraanse cinema dan ook niet voor, of ze dragen er in zo’n geval opeens tóch een. Abbas Kiarostami maakte ooit een film waarin de vrouw om wie het draaide dan maar helemaal niet in beeld kwam. In The Wind Will Carry Us kwam maar één van de personages in beeld, de rest mochten we er zelf bij bedenken, als een lichaam onder een sluier.

Je zou het verschil tussen westerse en Iraanse cinema onder meer kunnen schetsen door het verschil in opvatting over de toeschouwer: in het westen doen we net of de toeschouwer er niet is; dus mag hij overal mee naar binnen; in Iran is de toeschouwer een onbekende wiens bestaan wel wordt erkend. Hoofddoeken op dus.

Shirin Neshat houdt zich aan de conventies van de Amerikaanse en Europese cinema. Zij kan ook blote vrouwen filmen als ze dat wil. In Women without man zijn we bijvoorbeeld te gast in een badhuis – sinds de schilderijen van Ingres toneel van westerse dromen over oosterse erotiek. Maar bij Neshat is het badhuis niet sexy. Integendeel, ze toont daar een prostituee die zich niet bevallig poedelt maar zich tot bloedens toe schrobt, om alle mannen van zich af te wassen.

Neshats film speelt zich af in 1953, tijdens de door de Engelsen en Amerikanen georganiseerde coup waarbij de democratisch gekozen premier Mossadegh werd afgezet en vervangen door een generaal. Mossadegh had het gewaagd de olie-industrie, die volledig in Britse handen was, te nationaliseren. De coup wordt vaak gezien als het beginpunt van de radicalisering die uiteindelijk tot de islamitische revolutie van 1979 leidde.

Een boomgaard speelt in Women without men als beeld van het paradijs visueel en symbolisch bijna net zo’n grote rol als de sluier. Die beelden zijn ook niet te versmaden. Toch zijn het de sluiers die ook in haar speelfilm de meeste indruk maken, ze hebben een visuele nadruk die in de meeste films uit Iran ontbreekt, uit noodzaak wegens de censuur of uit onverschilligheid – die sluiers zijn er nu eenmaal, zoals er ook bomen zijn en huizen.

Women without men lijkt met de Iraanse cinema op het eerste gezicht weinig te maken te hebben. Maar ook in films uit Iran gaat het vaak over bedekken en onthullen, over wat wel en niet getoond mag worden. De sluier is daar niet het visuele boegbeeld van, het gebeurt subtieler. Kiarostami maakte niet alleen een film waarin de vrouw helemaal onzichtbaar bleef, hij maakte ook een film, Shirin (2008) die zich in een theater afspeelt. Van de voorstelling die er vertoond wordt horen we alleen het geluid: de camera is gericht op de gezichten van de bezoekers, vast niet toevallig allemaal vrouwen.

Shirin Neshat gebruikt de sluier wel als visueel boegbeeld. Van de vier vrouwen die in Neshats film de hoofdpersoon zijn, dragen er drie een chador. Hoofddoeken waren niet verplicht in het Iran van 1953. Wel dragen alle vrouwen jurken, zoals toen ook in het Westen nog bijna verplicht was. De oudere vrouw van de generaal doet soms een hoofddoekje om, zo een als Grace Kelly in die tijd ook wel placht te dragen. Haar haar blijft zichtbaar.

De andere vrouwen zijn gewend zich te bedekken en te ontkleden, het verschil zit hem in de mate waarin. En in wat erger is: bedekken of ontkleden? De jonge hoer Zarin gebruikt een laken om zich mee te bedekken als ze het bordeel ontvlucht. In het badhuis is zelfs haar huid een sluier die wegmoet. Open, die drekzak.

De rebel Munis werpt de zwarte mantel van zich af als ze van het dak springt – zonder chador is het alsof ze kan vliegen. Zo licht, zo vrij. De chador stort leeg ter aarde, alsof het een heel zwaar ding is. Ethiek en esthetiek vallen daar samen. De wind gaat liggen. De spanning wordt opgeheven.

Women Without Man opent het doku arts festival, dat voor een deel gewijd is aan films over Iran. www.doku-arts.com