Voor Obama dreigt een eigen 'Katrina'

De kritiek op Obama door de olieramp in de Golf van Mexico zwelt aan. Net als voorganger Bush ontdekt hij hoe machteloos de federale overheid sinds de conservatieve revolutie is.

Tom-Jan Meeus

Het beeld zal hem altijd achtervolgen. George W. Bush die zomer 2005 door een vliegtuigraampje naar New Orleans tuurt, waar reddeloze slachtoffers van de orkaan Katrina smeken om water, brood en misschien een reddingsboot.

Vandaag moet Barack Obama, tijdens zijn tweede bezoek aan het rampgebied in Louisiana, zien te voorkomen dat de olieramp in de Golf van Mexico voor hem wordt wat ‘Katrina’ voor Bush was – het begin van het einde.

Na vijf weken is oliemaatschappij BP er niet in geslaagd de lekkende olie-installatie te repareren – of de huidige poging zal slagen, is nog afwachten. Gisteren erkenden Obama’s medewerkers dat de hoeveelheid gelekte olie nu officieel groter is dan die van de tanker Exxon Valdez (1989, Alaska), de grootste olieramp uit de Amerikaanse geschiedenis.

Obama zelf weigerde de parallel met Katrina te trekken – „dat laat ik aan de media over” – maar schonk de laatste tijd weinig aandacht aan de catastrofe in zijn openbare optredens, net als destijds Bush. Hij vond deze week wel tijd voor een diepgaand gesprek met sportjournalist Marv Albert over basketbal, de huldiging van een basketbalploeg, de ontvangst van het Amerikaanse Football- team en een fondsenwervingsavond in San Francisco voor een bevriende senator.

Dit hadden eigenlijk de dagen moeten zijn waarin de regering successen boekt met het oog op de Congresverkiezingen komend najaar – met een nieuw werkgelegenheidsplan, beëindiging van discriminatie van homoseksuelen in de krijgsmacht, verbeterd toezicht op de financiële sector.

Maar de olieramp slokt alle aandacht op, en de kritiek uit Obama’s eigen partij zwelt aan. James Carville, leider van Bill Clintons presidentscampagne in 1992, klaagt al dagen dat Obama „lusteloos” reageert. „Alsof hij geen betrokkenheid voelt”, zei hij gisterochtend tegen ABC. Een andere vriend van Clinton, gouverneur Ed Rendell van Pennsylvania, zei dat de oud-president (1993-2001) het anders aangepakt zou hebben. „Clinton had zich in een duikerspak gehesen en was zelf naar de lekkende olie gaan kijken.”

De vergelijking met Katrina gaat op belangrijke punten mank. Bij Katrina kwamen 1.800 mensen om het leven, bij de olieramp elf. Katrina was een humanitaire crisis, de olieramp is vooral een milieuramp. En bij Katrina waren de reddeloze slachtoffers wekenlang op televisie; het beeld van deze ramp wordt bepaald door besmeurde schildpadden en verslaggevers op lege stranden.

Dat de bezorgdheid van de regering niettemin toeneemt, bleek gisteren toen Obama voor het eerst uitvoerig sprak over de ramp.

Conservatieven, zoals Bush’ ex-strateeg Karl Rove en gouverneur Bobby Jindal van Louisiana, roepen al weken om actie van de overheid. Het zijn dezelfde conservatieven die het afgelopen anderhalf jaar klaagden dat Obama de overheid een te grote rol toekent.

De president reageert zakelijk. Hij had zich „vanaf dag een” met het probleem beziggehouden, zei hij, en hij nam ,,de volle verantwoordelijkheid’’ op zich.

Dit laatste was een breuk met de houding van zijn medewerkers de laatste weken. Zij benadrukten dat BP opdraait voor alle schade. Wetgeving uit 1990 legt dat expliciet vast. Het bedrijf is kortom de eerst aangewezene het lek te dichten, aldus het Witte Huis.

Het verzuimde erbij te zeggen dat de federale regering belast is met toezicht op de reddingsacties. En in Louisiana is de kritiek de laatste weken juist dat de regering afwezig was, terwijl de ene na de andere poging van BP mislukte.

Het legt een dubbelhartigheid bloot die de afgelopen dertig jaar, tijdens de conservatieve revolutie, in bijna alle sectoren is ingevoerd. Starve the beast noemen conservatieven dat: maak de overheid zo klein en goedkoop mogelijk en gun bedrijfstakken zelf toezicht op hun fouten.

De gevolgen kwamen bij de kredietcrisis, de recente mijnramp in West Virginia (waar mijneigenaren eigen veiligheidsregels schrijven), en nu weer de olieramp in beeld: controle en toezicht vinden plaats volgens afspraken die de bedrijven het beste uitkomen.

Obama laakt deze praktijk, en sprak gisteren van een „schandalige relatie” tussen overheid en oliesector. Zo schrijft de wet voor dat de overheid binnen een maand een beslissing neemt over een aanvrage voor olieboren op zee. Het betekent in de praktijk, zei Obama, dat de milieurisico’s nooit onderzocht worden: daarvoor is een maand tekort. En dus geven regeringen – ook de Amerikaanse – milieuontheffingen voor boren op zee af „omdat we niet anders kunnen”, aldus Obama.

Maar voor dat soort nuances is in het debat geen plaats. Toen Katrina zomer 2005 toesloeg, werd ook Bush geconfronteerd met regels die de handelingsvrijheid van de federale regering beperkte. De wetgever had bepaald dat een ramp in eerste instantie door de lokale overheid wordt bestreden, daarna de staat Louisiana, en ten slotte de federale regering.

Omdat de lokale regering na de ramp niet functioneerde – de burgemeester was dagen zoek – kon George W. Bush veel anders dan afwachten. Die foto in dat vliegtuig was vooral een bewijs van onmacht. Maar zoals Republikeinen er nu geen boodschap aan hebben dat Obama zich beroept op ambivalente regels, zo had Obama dat destijds ook niet met Bush. Zomer 2005 zei de jonge senator uit Illinois: „Ik zou willen dat de federale regering zijn werk aankon.”