Vergeet die regenboog

In ‘Niets liever dan zwart’, het derde deel van Antjie Krogs trilogie over de veranderingen in Zuid-Afrika, gaat het onder meer om de vraag: hebben zwarten een andere moraal dan blanken?

Antjie Krog: Niets liever dan zwart. Vertaling: Robert Dorsman. Contact, 336 blz. € 29,95

Was de moord op Eugène Terre’ Blanche een politieke daad of simpelweg als een criminele actie? ‘Het is moeilijk manoeuvreren tussen waarneming en waarheid in dit land’, schreef de Zuid-Afrikaanse auteur Antjie Krog indertijd in Een andere tongval. Hoe moeilijk dat is, maakt ze duidelijk in Niets liever dan zwart, het vervolg op Een andere tongval. Verschillende verhalen worden in dit nieuwe boek verwerkt, waarvan er een gaat over haar betrokkenheid bij een moord in haar buurt. Veel weet van die liquidatie heeft ze niet, maar dezelfde dag krijgt ze van een ANC-vriend achteloos een bebloed T-shirt in handen gedrukt met het verzoek het ergens te dumpen. Wanneer blijkt dat dit shirt toebehoort aan een van de daders, die ze onwetend ergens heeft afgezet, staat Krog voor een dilemma: ging het om een politieke moord of een wraakzuchtige criminele daad? En wat te doen?

Het is een zoektocht die ze al eerder verwerkte in de novelle Relaas van een moord. In Niets liever dan zwart vormt de moord het uitgangspunt bij verschillende vragen over de moraal, waarvan de meeste confronterende luidt: hebben zwarten een andere moraal dan blanken? Krog overhandigt het T-shirt aan de politie in de overtuiging dat moord hoe dan ook een principieel foute daad is, en ook uit woede over het feit dat ze ergens bij betrokken werd zonder dat ze op de hoogte is gesteld. Het proces komt er uiteindelijk en de daders worden veroordeeld, mede dankzij het ‘gewetensvolle’ handelen van Krog. Wanneer ze jaren later leest dat de moord wél politiek was, wordt pijnlijk duidelijk dat het haar nooit zal lukken om precies te begrijpen wat er gebeurt. Ondanks haar pogingen zal ze nooit echt deel uitmaken van een zwarte gemeenschap. Of zoals haar man eerder zegt: ‘Onder het mom van de goede zaak heb je je gewurmd in plekken waar je de onderliggende gevoelens noch de codes van verstond [...] je wrong je in allerlei bochten om geaccepteerd te worden in een gemeenschap die jou per slot van rekening zag als niets anders dan een gelegen komend curiosum.’

Niets liever dan zwart vormt het slotdeel van een trilogie over de veranderingen in Zuid-Afrika. Na boeken over verzoening en transformatie hoop je op een opgaande lijn. Maar de kleur is zwart geworden; geen regenboog te bekennen.

Zwarter worden

In de eerste delen, De kleur van je hart (1998) en Een andere tongval (2003), was er optimisme aanwezig. In het eerste boek stond de Waarheid- en Verzoeningscommissie centraal. Feitelijke verslagen werden afgewisseld met een zoektocht naar de erfenis van de apartheid. Hoe had het zo ver kunnen komen? Wat voor de buitenwereld onmogelijk leek, namelijk de daders van de apartheid vergeven, leek daar bijna als een ingestudeerd programma te gebeuren, iets wat Krog probeert inzichtelijk te maken.

In Een andere tongval trachtte Krog de notie van medemenselijkheid (ubuntu) ook een blank publiek bij te brengen. Dat deed ze door verschillende verhalen naast elkaar te leggen: de optimistische Mandela-medewerker, de racistische oma tot en met de computermedewerker die vond dat alles zo snel mogelijk aan de zwarte bevolking moest worden teruggegeven. Krog wilde op allerlei manieren het begrip ‘transformatie’ toetsen aan wat er in het veranderende land gebeurde, en ook op het Afrikaanse continent. Door je in te leven in de ander kon er begrip ontstaan. In beide boeken speelde de kracht van verhalen daarbij een belangrijke rol.

Het geloof in die kracht is in dit boek verdwenen. Niet voor niets gaan de twee romans die in Krogs boek genoemd worden – In ongenade van J.M. Coetzee en Agaat van Marlene van Niekerk – onder meer over het morele failliet van de blanke Afrikaner. De verbeelding en de kracht daarvan hebben plaats gemaakt voor pessimisme. ‘In een land waar we afkomstig zijn van verschillende beschavingen, waar we vervolgens apart leefden in ongelijke en verstoorde betrekkingen, waar hele generaties door zijn gevormd, is onze verbeelding domweg niet in staat om een werkelijkheid als – of met – de ander voor te stellen.’ Het is een sombere visie in een boek dat probeert het zwarte perspectief te begrijpen; waarin een blanke Zuid-Afrikaan tracht een zwart perspectief op Zuid-Afrika te formuleren. Of zoals Krog het zelf schrijft: ‘Ik wil deel uitmaken van het land waarin ik ben geboren. Ik moet toch weten of het voor iemand als ik mogelijk is om me te vereenzelvigen met de meerderheid, om „zwarter” te worden?’

Die vraag komt hard op haar af bij de verwikkelingen rondom de moord. Ze confronteert een filosoof met vragen over de zwarte identiteit en peinst erover tijdens een verblijf in Berlijn. Zo krijgt Krog tijdens Oudejaarsavond, terwijl ze zich beroerd voelt, visoenen over de Europese geschiedenis. Doden uit verschillende oorlogen op Duits grondgebied worden over één kam geschoren en tonen de ruwheid van de westerse beschaving aan. ‘Ik mag niet verder lopen, dacht ik steeds opnieuw; als ik verder loop, dan trap ik op de lijken die hardnekkig door dit continent blijven sijpelen; ik mag niet ademen; als ik adem, dan adem ik de lucht in van bomen die groen worden op deze assponzen van de dood. Ik had het gevoel alsof ik in de kern was beland van wat het betekent blank te zijn. Vanuit mijn nog halfbakken, maar aanstaande Afrikaanse identiteit [...] kon ik alleen maar herhalen: „De horror! De horror!”’ Dat komt wat potsierlijk over: de Afrikaanse identiteit niet kunnen doorgronden, maar de Europese afdoen in een dronkemansroes na Oudjaarsavond. En dat in inmiddels stereotiep geworden beelden en verwijzingen als ‘schuldig landschap’ en Joseph Conrads Heart of Darkness. Het is bovendien opvallend dat het Berlijnse naoorlogse perspectief zich kennelijk makkelijker laat toe-eigenen. Of: dat het minder bezwaarlijk is om in enkele pennestreken neer te zetten.

Moshoeshoe

Het Berlijnse deel van het boek is dan ook minder sterk dan de erg mooie delen over de levensgeschiedenis van het stamhoofd Moshoeshoe (in het tegenwoordige Lesotho). Deze vorst (1786-1870) verwelkomde indertijd zendelingen. Hij hoopte van hen meer te leren over de gewoonten van de blanken en wilde zo bovendien voorkomen dat zijn volk erdoor overspoeld zou worden. Ook hij worstelde met het behoud van traditionele waarden en de komst van christelijke normen die vaak niet strookten met die traditie. Hij moest keuzes maken om een vredelievend rijk zo lang mogelijk te behouden en onderzoeken hoe hij zichzelf kon blijven: een traditioneel staatsman met een christelijk hart? Uiteindelijk zou hij als een gebroken man sterven in een land dat onderdeel was van het Britse Rijk. Het is een geschiedenis van hoe de gekoloniseerde zich moest aanpassen aan de kolonisator. En die rollen zijn in het perspectief van Krog nu omgedraaid.

Krogs pogingen het zwarte perspectief te vinden, zijn haar in Zuid-Afrika op zowel bewondering als kritiek komen te staan. Het boek wordt terecht vrij algemeen als moedig gezien, want Krog stelt ongemakkelijke vragen waarop ze de makkelijke antwoorden vermijdt. Zo wil ze geen westers maar een zwart perspectief op Mugabe – maar de filosoof aan wie ze dit idee voorlegt, vraagt haar vervolgens welk perspectief dat dan is: het zwijgen van Mbeki, de kritiek van Tutu of de ‘toejuichingen’ van de massa? In elk geval niet het perspectief van de blanke boer die zich van zijn levenswerk verjaagd ziet.

‘Identiteit-zelfmoord’ is Krogs poging ook genoemd en de titel Niets liever dan zwart een ongelukkige. De Zuid-Afrikaanse schrijver Max du Preez was ‘stomverbaasd’ over Krogs ‘overdreven handenwringerij’ over haar witte huid en haar ‘overontwikkelde schuldgevoel over apartheid en kolonialisme’ en vooral: ‘haar overromantisering van Afrika en van zwarten’. Hij ziet geen enkel probleem om te leven vanuit een blank-Afrikaanse identiteit.

Niets liever dan zwart is fascinerend, maar voor niet-Zuid-Afrikanen moeilijker op waarde te schatten dan de twee voorgangers. Niet omdat het verhaal pessimistisch is, maar omdat Krog een problematiek aansnijdt die feitelijk puur lokaal is. Het gaat hier niet langer om de rol van Zuid-Afrika als model voor de wereld of om de wonderbaarlijke geschiedenis van een verzoening. Het gaat om de plaats van een individu in een land dat het hare zou moeten zijn, maar waarmee identificatie wringt.