Stad tussen souk en sluierverbod

Moskee, Institut du Monde Arabe, de glazen sluier over het Louvre: al een eeuw wil Parijs een centrum zijn van islamitische beschaving – en niet alleen van de islam als religie.

Islamitisch theedrinken kan in het vijfde arrondissement van Parijs op verschillende manieren. Optie één: aanschuiven in het theehuis van de grote moskee van Parijs. Binnenplaats onder tentzeil en olijfbomen, goudkleurige tafelranden, souk in de hoek, oriëntaalse sfeer verzekerd. Een bar voor zoetigheden biedt zicht op de ingang van de hammam, dromerig op de achtergrond.

Het publiek is kosmopolitisch, Parijzenaars die bijkomen van een wandeling tussen de uitheemse planten in de naastgelegen Jardin des Plantes. En toeristen die net een wandeling hebben gemaakt door de grote moskee ernaast. Islamitische kunst is hier een kwestie van architectuur. Moorse bogen, stenen bloemmozaïeken naar voorbeeld van de moskee in Fez, Andalusische tuinen verankeren de moskee in de tijd dat Frankrijk nog het centrum van een wereldrijk was, dat alle windstreken en religies omvatte.

De andere cultuurplaats waar muntthee wordt geschonken, is het Institut du Monde Arabe (IMA), een paar straathoeken verderop aan de Seine. Rond etenstijd kun je gaan zitten in het restaurant op het dakterras, met ansichtuitzicht op de Seine.

Maar het beste hoekje is dit voorjaar nieuw: in de tent op h et plein achter het instituut heeft de 83-jarige decorateur Leïla Menchari een theesalon ingericht te midden van een droomlandschap van haar herinneringen. Jarenlang richtte Menchari de Parijse etalages in van het luxemerk Hermès. De tassenfabrikant liet haar daarvoor de wereld over reizen om exotische stenen en stoffen, pannen, vazen en sferen mee te nemen naar Parijs. In de negen vitrines die zij nu uitgekozen heeft als samenvatting van haar wereldreizen in het Institut du Monde Arabe, is Menchari naar eigen zeggen bruggen aan het bouwen. Tussen Oost en West, tussen souk en museum, alledag en luxewaar, tussen Egypte en India (met een uitstapje naar Mexico). Waar haar ideeënwereld voor Hermès vandaan kwam, is het beste te zien in een film die haar volgt naar haar geboorteland Tunesië, waar zij vertelt over de markten en tuinen van haar Noord-Afrikaanse jeugd.

Moskee en museum vertellen dat de islamitische beschaving al lang deel uitmaakt van Frankrijk. Maar ook dat Frankrijk al lang worstelt met de natuur van islamitische kunst en cultuur. Religieus? Onvermijdelijk, maar liever niet alleen dat. Een beetje ontspanning graag, zelfs het moskee-complex in Parijs vertelt dat islamitische cultuur niet alleen geloof is maar dat er altijd een profane islamitische traditie heeft bestaan, intellectueel en alledaags, kritisch of kitsch, gezellig en poëtisch.

Jean-Paul Roux, de vorig jaar overleden Franse autoriteit op dit gebied, maakte een strikt onderscheid tussen moslimkunst en islamitische kunst. „Moslimkunsten worden begrensd door religieuze voorschriften en strenge verboden. Een moslimkunstenaar die een naakte vrouw schildert, en zo de verboden overtreedt, maakt geen moslimkunst meer. Maar zijn werk kan nog steeds islamitische kunst zijn. Spaanse kunst uit de Arabische tijd kan bijvoorbeeld islamitische kunst heten, ook al diende het geen religieuze functie of zelfs een andere godsdienst.”

In het Louvre wordt momenteel een nieuwe afdeling gebouwd: arts de l’islam, in het meervoud. Het wordt het grootste nieuwbouwproject van ’s werelds meest bezochte museum (8,5 miljoen bezoekers per jaar) sinds de piramide van het Nouveau Louvre uit de jaren tachtig. De nieuwe islamitische afdeling gaat eind volgend jaar of begin 2012 open. Architecturale aandachtstrekker wordt een glazen sluier van de Franse architect Rudy Ricciotti over het Cour Visonti, de centrale binnenplaats. Die moet „eenheid scheppen” in de afdeling. Toch zal de de boodschap opnieuw zijn dat de islamitische beschaving niet alleen religieus is. De nieuwe zalen worden zo gebouwd dat de islamitische kunst deel wordt van een parcours, ergens tussen de preklassieke Griekse oudheid, de Phoenicische beschaving en het koptische en Romeinse Egypte: een deel van de ‘universele geschiedenis’ van de mensheid. Het Louvre kan daarbij bouwen op een uitgebreide collectie: zo’n 10.000 stukken staan opgeslagen in de depots, afkomstig uit het hele islamitische cultuurgebied tussen Spanje en India, beginnend in de middeleeuwen. Daarbij komen nog eens 3.400 tapijten en andere decoratieve kunst van het Musée des Arts Décoratifs, dat wordt samengevoegd met het nieuwe departement.

Moskee, Institut du Monde Arabe, het Louvre: al een eeuw wil Parijs nu een centrum zijn van islamitische beschaving – en niet alleen van de islam als religie. De islam is voor Frankrijk een binnenlandse kwestie sinds het midden van de negentiende eeuw, zegt Abdelwahab Meddeb, een Parijse liberaal-islamitische intellectueel die ijvert voor een kosmopolitische, open islam. Ruim 150 jaar geleden werd Algerije bestuurlijk opgedeeld in vier provincies die deel uitmaakten van de Republiek. Ze kregen de provincienummers 92 en 93. Tegenwoordig zijn dat de nummers van de voorsteden van Parijs waar de nakomelingen van de oude gekoloniseerden wonen. De rellen van 2005 werden de revolte van 93 genoemd, naar departement Seine-Saint Denis. De meerderheid van de inwoners is moslim en Frans.

Daarmee is de islam een Franse kwestie, maar niet alleen religieus. Vorige maand liepen in een Parijs theater vrouwen over het podium in een schijnbare modeshow van gebeeldhouwde boerka’s. Experimentje van de van oorsprong Marokkaanse beeldend kunstenaar Majida Khattari, die een verband ziet tussen de mannequin en de sluierdraagster: allemaal vrouwen wier lichaam is opgesloten in vast omschreven codes die geen ruimte laten voor individuele expressie.

Meddeb zelf schrijft over erotiek en de scheiding tussen kerk en staat, over kunst en filosofie. Hij verzet zich tegen religieus extremisme, dat hij „de ziekte van de islam” noemt, en legt in boeken, radio-uitzendingen en conferenties de andere, wereldlijke dimensies van de islamitische beschaving bloot. Schrijvers en intellectuelen werpen zich op als vertegenwoordigers van een liberale islam, die naast zijn religieuze dimensie kritische en esthetische tradities koestert.

Maar Frankrijk heeft ook altijd zijn politieke belangen gediend door zich op te werpen als centrum van islamitische cultuur. Neem de Grote Moskee. Die werd begin jaren twintig van de vorige eeuw gebouwd onder leiding van Franse oriëntalisten die bewondering hadden opgevat voor de moskeeën in het Frans-islamitische wereldrijk. Toen de Franse staat in de Eerste Wereldoorlog zijn soldaten uit de koloniën nodig had, besloot de regering als „vriend van de islam” de moskee te financieren, als eerbetoon aan de tienduizenden moslims die sneuvelden bij Verdun. Maarschalk Hubert Lyautey, zelf oriëntalist, beloofde bij het begin van de bouw in 1922 dat vanaf de 33 meter hoge minaret gebeden zouden klinken „waar alle katholieken in de buurt jaloers op zullen zijn”.

Ook het Institut du Monde Arabe heeft een politieke geschiedenis. Het idee werd geboren als diplomatiek initiatief van president Giscard d’Estaing. Om de relatie met de Arabische landen te verbeteren, moest hun cultuur, in al zijn rijkdom, een vitrine in het hart van Parijs krijgen. De Arabische liga werd medeopdrachtgever en medefinancier van het IMA. Architect Jean Nouvel ontwierp een gebouw dat een huwelijk tussen Oost en West wilde zijn. Hoogtepunt daarvan werd de façade, waarin de vertrouwde geografische figuren van de Arabische moucharabiehs (ventilatieroosters) omgewerkt zijn tot zonlicht regulerende diafragma’s.

Maar het werkt niet. Sinds de opening van het IMA in 1987 is het instituut nooit echt een succes geworden, ondanks de rijke bibliotheek en de locatie. Het IMA drijft op expositie die geheel van buitenaf worden gefinancierd, zoals de Hermès Orient-tentoonstelling van Leila Menchari. Sinds april is het museum deels gesloten, voor renovatie. Het moet opnieuw worden opgezet, omdat de vaste tentoonstelling leunde op de collectie van het Louvre. Daarnaast blijft de financiering van de Arabische staten steevast achter, maar hun betrokkenheid leidt wel tot ‘zelfcensuur’, vindt de liberaal Abdelwahab Meddeb. Ook zonder openlijke conflicten voelt het IMA volgens hem zich „verplicht rekening te houden met Arabische taboes en verboden die autoritaire, zo niet dictatoriale staten hun samenlevingen opleggen.”

Net als de Grote Moskee en het IMA kwam het initiatief voor de nieuwe afdeling voor islamitische kunsten van de Franse staat, met politieke motieven. President Chirac besloot in 2003 dat het Louvre een nieuw, achtste departement moest krijgen, speciaal gewijd aan islamitische kunst. Het was de tijd dat Chirac weigerde Frankrijk deel te laten nemen aan de aanval onder Amerikaanse leiding op het Irak van Saddam Hoessein. Hij maakte zich zorgen over de invloed van denkers die de wereld voorstelden als een krachtenveld van gescheiden beschavingen, die met elkaar konden botsen, maar niet mengen. Het Louvre was tegengif voor de botsing der beschavingen: het nieuw islamdepartement moest „de universele roeping” van het Louvre versterken, volgens Chirac, door het publiek bekend te maken met „buitengewone bijdrage van de beschavingen van de islam aan de geschiedenis van de mensheid.”

Chirac wierp zich vaker op als verdediger van culturele diversiteit. Zijn ‘grote werk’, het musée du Quai Branly dat in 2007 werd geopend heeft ook dat uitgangspunt. Beschavingen zijn niet alleen gelijkwaardig maar hun verschillen maken het niet onmogelijk hun kunst volgens een gedeelde esthetische ‘humanistische’ maatstaf te beoordelen.

Net als het oriëntalisme van maarschalk Lyautey een eeuw geleden, dient het Franse enthousiasme voor culturele diversiteit ook een politiek doel. Beter dan de oude leer van de ‘Franse culturele uitzondering’ – Franse kunst beschermen door wetten en subsidies, is de culturele diversiteit een handig internationaal politiek instrument dat Frankrijk in staat stelt met buitenlandse partners, van Brazilië tot de Arabische Emiraten, allianties te sluiten ter promotie van de eigen cultuur. Het heeft voor Franse musea de weg vrijgemaakt voor een mondiaal themapark zoals in Abu Dhabi, waar behalve een Guggenheim ook een Louvre in de maak is, ontworpen door Jean Nouvel. De opbrengst van het contract, zo’n 700 miljoen euro, komt ten goede aan de Franse musea.

Omgekeerd schept het ruimte voor nieuwe financieringsmodellen. De nieuwe islamzalen in het Louvre, die in 2012 opengaan, zijn daarvan het voorbeeld. Van de 86 miljoen euro die is uitgetrokken voor het nieuwe islamdepartement, wordt 28 miljoen opgebracht door islamitische prinsen en staten.

Veruit de grootste financier, na de Franse staat, is de Saoedische prins Al-Walid Ben Talal. Hij is aandeelhouder van Disneyland Parijs en eigenaar van een van de meest luxueuze hotels van Parijs, het George V - Four Seasons, op een steenworp van het Louvre. Prins Al-Walid Ben Talal stond twee jaar geleden gebroederlijk naast president Sarkozy bij het leggen van de eerste steen. Hij noemde het gezamenlijke initiatief „een boodschap van vrede tussen onze culturen” en legde uit dat hij een ‘fervent voorstander’ is van een gematigde islam en tolerantie en coëxistentie tussen de culturen.

De financiering van het nieuwe Louvre-project heeft in Frankrijk niet tot een serieus debat geleid. Didier Rykner, hoofdredacteur van het gerespecteerde kunstpolitiek-observatorium, op internet latribunedelart.com, is erg kritisch over het Louvre in Abu Dhabi, waarin hij een vercommercialisering ziet van het Franse cultuurgoed. Maar hij prijst het nieuwe islamdepartement, dat zo’n 3.000 kunstwerken uit islamitische beschavingen kan tonen die grotendeels al jaren in de reserves zijn opgeslagen. Zijn enige bezwaar: de architectuur die van een deel van het Louvre ‘de façade zal bederven.’

Een debat over uiterlijkheden dus, niet over de grenzen van islamitische kunst. Volgens Abdelwahab Meddeb kunnen het IMA en het Louvre, ondanks de invloed van de Arabische investeerders, helpen de islam een ruimere dan alleen religieuze betekenis te geven. Maar hij vertrouwt daarvoor vooral op de veranderingen de samenleving. Volgens Meddeb voltrekt zich in Frankrijk een ‘grote intellectuele overgang’. Mensen worden in de geglobaliseerde wereld gedwongen hun oorsprong te overstijgen en te werken aan de vorming van een ‘mondiale waardenhorizon’. Zo zal er een ‘post-islamitische’ identiteit ontstaan, evenals een ‘post-joodse’ en een ‘post-christelijke’. Identiteiten worden volgens Meddeb ‘sporen’, stukjes erfenis in een gedeelde wereld.

Met goede wil is dat de manier om straks te kijken naar de aankleding van het nieuwe departement van islamitische kunsten van het Louvre. De glazen golvende nap van architecten Mario Bellini en Rudy Riccioti in het Cour Visconti zou honderd jaar geleden waarschijnlijk een vliegend tapijt zijn genoemd, nu heet het een „sluier”. Hier en daar wordt er lacherig over gedaan: gaat de Franse regering net de gelaatsbedekkende niqaab voor vrouwen verbieden, wordt het Louvre gesluierd. Pikant is bovendien dat het sluierverbod, dat volgend jaar in werking moet treden, ook Saoedische vrouwen zal treffen, die gaarne bijvoorbeeld in het George V hotel logeren om te winkelen op de Champs Elysées. En straks dus om de islamitische afdeling van het Louvre te bezoeken. Volgens de krant Libération is op het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken intussen vastgesteld dat deze vrouwen gelukkig ‘meestal een diplomatiek paspoort hebben’, zodat ze niet hoeven te worden vervolgd.

Toch roept de kwestie ook serieuze verontrusting op. Onder liberale islamitische intellectuelen bestaat twijfel of de humanistische cultuurpolitiek van Chirac stand houdt. President Sarkozy verdedigt ook de doctrine van de culturele diversiteit, maar in de praktijk hamert hij veeleer op thema’s als een sluierverbod en het versterken van de nationale identiteit. De islam losmaken van zijn extreme vorm van het islamisme zou „de taak van ons allemaal moeten zijn”, zegt Adbelwahab Meddeb. Hij vreest voor een ‘identiteitoorlog’ tussen islamisten en islamofoben. De doorzichtige glazen sluier van het Louvre zou daarvan inzet kunnen worden.