'Saddam is weg, maar zijn cultuur niet'

Fictie en realiteit lopen in elkaar over in Irak, zegt filmmaker Mohamed al-Daradji. In zijn films stelt hij het verleden aan de orde om aan de toekomst te kunnen bouwen.

„Mijn moeder vroeg me toen ik in 2003 in Irak terugkeerde: ‘Waarom maak je een film? We zitten al in een film. Wat er met ons gebeurt is een lange speelfilm’ ”, zegt de Iraakse filmmaker Mohamed al-Daradji.

„Later ontdekte ik wat ze bedoelde. Het ene moment heb je een normaal leven in de werkelijkheid, en tien minuten later is er een een zware bomaanslag zoals je alleen in actiefilms ziet.”

Daradji gaf deze week in Amsterdam een lezing over fictie en werkelijkheid in Irak en het Midden-Oosten. „Mijzelf overkwam het ook”, vertelt hij in een vraaggesprek met deze krant. „Op een dag in 2004 werd ik tijdens de opnamen voor mijn eerste film Ahlaam [dromen] tweemaal ontvoerd. Eerst door een met Al-Qaeda verbonden groep en toen ik weer vrij was en naar het ziekenhuis ging, door een shi’itische militie. Die gaf me aan het Amerikaanse leger, dat mij ervan beschuldigde een propagandafilm voor Al-Qaeda te maken. Ik zat vijf dagen gevangen. De beste scriptschrijver zou zo’n scenario niet in een dag kunnen opschrijven.”

In zijn speelfilms lopen fictie en werkelijkheid ook in elkaar over.

„De hoofdrolspeelster van mijn nieuwe film Son of Babylon raakte 22 jaar geleden haar man kwijt, toen ze afzonderlijk werden opgepakt. Ze zat vijf jaar in de gevangenis. Mijn scenario ging over een moeder die samen met haar kleinzoon na Saddams val in 2003 haar verdwenen zoon ging zoeken. In de film acteerde ze niet. Ze vertelde haar eigen verhaal. Toen we haar filmden met een skelet dat volgens het script haar zoon was, huilde ze urenlang omdat het in haar belevenis haar man was, die ze eindelijk had gevonden.

„Voor haar werd fictie realiteit. De film werd een soort therapie, voor haar en voor ons allemaal.”

Daradji stelt in zijn films bewust het verleden aan de orde. „Mensen proberen het onderwerp te ontwijken. Ik zeg: het is beter erover te praten. Als je over het verleden praat wordt het in de toekomst beter. Daarom komen in mijn film massagraven aan de orde. Mensen zeiden tegen me: waarom massagraven? Waarom maak je geen film over vandaag? En ik zeg: omdat het geweld van vandaag niet uit het niets komt. De jonge mannen die verantwoordelijk zijn, zijn tussen 18 en 32 jaar oud. Ik noem hen de generatie van de Ba’athisten. Ze drinken nog van de melk die hun is gegeven op de lagere school.”

Hij legt uit: „In mijn eerste jaar op de lagere school, ik was zes jaar, werden we op een dag meegenomen naar het voetbalveld om te zien hoe ze mensen ophingen omdat ze zich verzetten tegen het Ba’athregime.

„Toen ik zeven jaar was wachtte ik eens op mijn favoriete tekenfilm op tv om zes uur. In plaats daarvan toonden ze een programma over het slagveld in de oorlog tegen Iran. Ze toonden ons soldaten die waren gedood. Dat was onderdeel van de geweldscultuur die is opgebouwd. Saddams regime stortte in 2003 in, maar zijn cultuur verdween niet zomaar.”

In Son of Babylon voert Daradji een vroegere soldaat van de Republikeinse Garde op die de vrouw die haar zoon kwijt is vergiffenis vraagt. Aanvankelijk accepteert ze het niet. „Hij vertelt haar: ik werd gedwongen om mensen te doden. Dan zegt haar kleinzoon die niet weet wat er is gebeurd: grootmoeder, kan je hem niet vergeven? Later vergeeft ze hem.

„Dat is een andere boodschap die ik heb. Het gaat niet om wraak, maar om gerechtigheid en vergiffenis. Wraak is geen oplossing voor Irak. De moordpartijen van 2006 en 2007 waren een grote fout.”

In Saddams tijd stond film in dienst van het regime. Nu, zegt Daradji, is het makkelijk toestemming te krijgen om te filmen, omdat er niets is geregeld. „Maar als er geen goede instituties zijn om je te helpen en te financieren, dan heb je wel de vrijheid om te spreken, maar niet om te doen.

„De minister van Cultuur wees mijn project voor Son of Babylon af. Geen geld. Ik ging naar het bureau van de premier. Daar zeiden ze: we vinden het prachtig. Eén voorwaarde. Verander de hoofdrolspeelster van Koerdisch in Arabisch. Ze zeiden: de Koerden pakken 15 procent van onze olie, ze willen 20 procent. Ik zei: wat heeft dat met mij te maken? U wordt geacht het nieuwe Irak te vertegenwoordigen, de Irakees, of hij Koerdisch is of niet, ongeacht of u een conflict met de Koerdische autoriteiten hebt.

„Ik ging naar de Koerdische regering in het noorden. Die zei: deze film is propaganda voor de Arabieren.

„Op dit punt heb ik geen vrijheid.”

Toch is het verschil met Saddams tijd groot. „Saddam is vertrokken, maar er zijn andere Saddams opgestaan. Maar niet de Saddam die we hadden. Die Saddam stond boven God. Nee, er is een verandering in Irak. Maar het is niet makkelijk. Irak is als een huis dat in brand heeft gestaan. De rook hangt er nog, het is zwartgeblakerd. Maar als ik een verzekering heb en goede buren om me te helpen, dan kan ik het misschien herbouwen en verbeteren. God zij dank is de fundering er nog. De fundering vormen de goede mensen van Irak. Die zijn er en daarom maakten ze een eind aan het geweld van 2006 en 2007.”