Roestvrij staal en egotisme

Theo Kars: Memoires van een slecht mens. Deel 1, 1940-1964. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 359 blz. € 19,95

Het lezen van Memoires van een slecht mens, de gedenkschriften van schrijver en vertaler Theo Kars (1940), is een wonderlijke ervaring. In de eerste plaats vallen je de bijzonder soepele volzinnen op waaruit deze omstandige herinneringen bestaan. Punt noch komma, titel noch jota staat verkeerd. Verteltempo constant, dialogen comme il faut, geen struikelsteen op mijn lezerspad aangetroffen, geen kiezel in mijn schoen gehad. Ik heb de gang door 359 pagina’s door dit eerste memoires-deel (er komen er nog twee) ondergaan als een flinke maar kalme en niet onaangename wandeling, met als voornaamste gedachte: ‘Wat beweging kan geen kwaad.’ Het hele boek in één ruk uitgelezen en het als het ware verkwikt dichtgeslagen. Gedachte noch gevoel gehad, alleen maar gelezen. Zoiets maak je niet vaak mee.

Kars beschrijft zijn leven van 1940 tot 1964. Jeugd, puberteit, studentenjaren, korte diensttijd, meisjes- en vrouwenavonturen. ‘Je karakter en aard bepalen je leven’, zo opent Memoires van een slecht mens. ‘Dat betekent niet dat je geen invloed hebt op je lot. Hoe gelukkig of ongelukkig je leven verloopt, hangt af van het zelfinzicht dat je verwerft en de bereidheid te leren van je fouten.’

Kars zegt te willen nagaan hoe hij is geworden wat hij is en te onderzoeken in welke mate hij is gevormd of beïnvloed door niet door hem geschapen omstandigheden als afkomst, lichaamsgestel en uiterlijk voorkomen. We hebben hier te maken met wat Stendhal ‘egotistische herinneringen’ noemde, geschreven in een gepolijste stijl die afkomstig lijkt uit zo niet de tijd van Stendhal (die nog onder Napoleon diende) dan wel uit nog eerder dagen, de 18de eeuw van Casanova, wiens lijvige Geschiedenis van mijn leven door Theo Kars op bewonderenswaardige wijze in het Nederlands werd vertaald.

Van invloed op Kars’ stijl lijkt ook werk van Anatole France , E.M. Forster, Balzac, en (niet in de laatste plaats) Baltasar Gracián, eveneens door hem uitstekend vertaalde auteurs. Het geeft deze memoires iets ontstegens, al kan dat ook komen door de soevereiniteit van de hoofdpersoon. De Theo Kars van Memoires van een slecht mens is zo ongeveer onaantastbaar, ijdel tot op het bot, geestelijk onaanraakbaar. Vooral als het om de liefde gaat schuift hij door de wereld als een personage op de schilderijen van Carel Willink, een niet toevallig door hem bewonderd artiest. Het gekke is dat dit doorgaans weinig aimabele mensentype in Kars’ herinneringen nergens irriteert, hij is gewoon zo. Dat hij zichzelf daar ook voortdurend van bewust is, wekt evenmin gevoel op. Ik moest gaande de pagina’s vaak aan roestvrij staal denken. Het glimt mooi, maar doet je weinig.

Theo Kars werd berucht door zijn postwisselfraude, waarvoor hij tot vijftien maanden werd veroordeeld. Hij schreef er twee boeken over: De Vervalsers (1967) en De Huichelaars (1978). De affaire vinden we in Memoires van een slecht mens beschreven. Waarom ging Theo Kars op het dievenpad? Om zich in staat te stellen ‘zijn organisme te koesteren door alles te doen waartoe het mij aanspoorde’. Schrijven stond daarin niet centraal, dat was ‘voor mij niet meer dan een tijdverdrijf’. Hoewel: ‘De vele kortstondige erotische avonturen die ik had brachten mij op het idee een verhandeling in romanvorm te schrijven over de kunst van het verleiden. Wat mij vooral intrigeerde en amuseerde was de tegenstelling tot het unieke gedrag in bed van elke vrouw en hun standaardreacties op mijn van oorsprong instinctieve, maar inmiddels weldoordachte en door verfijnde tactiek hen ertoe te brengen zich aan mij te geven.’ Juist. Het tijdsbeeld in deze gedenkschriften – iets wat memoires doorgaans interessant maakt – wordt met dezelfde afstand geschetst.

Komen we aan de hamvraag: is Theo Kars zoals we hem hier aantreffen een slecht mens? Ik weet het niet. Zelf vindt hij zichzelf te eerlijk om een slecht mens te zijn, hij komt recht voor alles uit. En bij zijn moederhaat, zijn vaderverachting, de boekendiefstallen die hij pleegde, de postwisselfraude – misschien kunnen we ons daar zelf iets bij herinneren of voorstellen. Of de lezer van Memoires van een slecht mens dat ook doet lijkt me intussen de vraag. Theo Kars’ herinneringen bewegen zich overal buiten lezersgeheugen of voorstellingsvermogen van zijn publiek – ik sprak al van roestvrij staal en egotisme. Niettemin is Memoires van een slecht mens een interessant boek. Een wonderlijke ervaring.