Kijk eens hoe aardig we zijn

De 658 pagina’s van de verzamelde partijprogramma's bieden een zelfportret van Nederland. Zeggen wie je bent en wat je wilt is een nobele kunst. ‘Bij de Partij van de Arbeid komt veel vaker het woord ‘moeten’ voor dan bij het CDA.’

Verkiezingsprogramma’s. Niemand leest ze, dus je kunt er alles in zetten. Zo gaan Nederlandse partijen er alleen niet mee om. Kijk wie er in de commissies zaten om voor de vervroegde verkiezingen van 9 juni een document op te stellen dat omschrijft waar partijen voor staan. Zo veel kopstukken schreven mee, dat het haast geen leesbare tekst kon opleveren. En ook dat valt mee. Alsof bevlogenheid voor één keer mag in het coalitiemoeras. Zeggen wie je bent en wat je wilt is een nobele kunst. Zonder rekening te houden met al die andere moerasbewoners. Kennelijk een opluchting die tot enig mooischrijven aanzet.

Bedoeld of onbedoeld transpireert uit al die teksten de eigen nestgeur. Zodat in de 658 pagina’s van Het Grote Partijprogramma Boek 2010 een zelfportret van Nederland ontstaat. Met veel nuances en verzuchtingen, maar steeds weer hoop en vertrouwen. Een getuigenis op de zondagochtend, ook bij de onkerkelijken. Bedoeld voor de rest van de week.

Wie wij zijn is niet het zelfde als wie wij graag zouden willen zijn. Deze geschriften gaan over zelfbeeld en ambities. Het zijn wervingsdocumenten. Weet u wel hoe zeer wij voor uw belangen opkomen? Tegen een uiterst redelijke prijs. En toch met aandacht voor de zwakkeren. Alleen onze onenigheden, die zoekt u maar zelf.

Bij de Partij van de Arbeid komt veel vaker het woord ‘moeten’ voor dan bij het CDA, dat meer dynamische behoudzucht uitstraalt met woorden als ‘betrokken’, ‘fundament’ en ‘zelfregulering’. Het CDA ‘tornt niet aan de bestuurslagen’ maar mikt wel op ‘een kleinere, slagvaardige overheid met minder ambtenaren’. Het zelfde en toch minder én beter.

De PvdA van Job Cohen en Wouter Bos (die nog stevig heeft meegeschreven) koerst weg van het neo-liberalisme waar de partij onder Kok en Paars haar ziel aan heeft verkocht. Dat nieuwe ‘moeten’ geeft richting aan waar het nu vooral om gaat. ‘De financiële markten moeten weer dienstbaar worden aan de reële economie.’ ‘De handel moet aantrekken.’

Met een openhartige moetvoetnoot erkent de partij: ‘En de economische groei […] moet robuust blijken.’ Zo mogelijk nog bescheidener: ‘Dat laatste hebben we al lang niet meer in de hand.’ Zo krijgt het sociaaldemocratische moeten een dosis realisme mee die slechts af en toe verslapt, zoals bij de internationale paragraaf. Die heet: ‘Nederland in een betere wereld.’

Sisyphus for president. Tussen droom en daad staan veel zwarigheden. Zelfs in eigen land. Na iedere coalitieperiode kijken we uit over een veld vol verweesde verkiezingsbeloften. De wereld was al anders toen de verkiezingen werden gehouden. Vervolgens werd nog één keer getracht de realiteit te temmen in een regeerakkoord. Daarna was er geen houden meer aan.

Zijn het daarom bedrieglijke non-documenten? Nee, niet per se. Stel je voor dat partijen zich definitief zouden bekennen tot de personendemocratie. Leuke kop, snel gebekt, alles beloven. Als Mark Rutte deze maand de wind mee heeft en vliegt op de vleugels van een goede debattechniek, dan is het voor de ernst van het verkiezingsproces nuttig dat zijn tegenstrevers het VVD-programma kunnen opslaan en mét de sommen van het Centraal Planbureau als rugdekking de prijs van zijn bezuinigingen kunnen aanwijzen.

Een reden waarom de VVD het, wellicht boven (eigen) verwachting, ook goed doet, is misschien het programma zelf. Dat bezit misschien meer dan het document van de concurrenten een retorische zwier gekoppeld aan een duidelijke keuze voor een paar thema’s. Hier geen inventaris van een ideale wereld. ‘Orde op zaken stellen, zeker nu!’ Deels veldwachter, deels interim manager.

Beter weten klinkt na een paar oppositiejaren altijd overtuigender dan met wallen van drie jaar nachtelijk geploeter rond het Binnenhof. Maar oppositie kan ook slijtage veroorzaken. Bij de kiezers, wel te verstaan. Aan het programma van de SP is op het eerste gezicht weinig mis, zeker niet vergeleken bij drie en een half jaar geleden toen het 25 zetels opleverde.

‘Een beter Nederland voor minder geld’ is een

Vervolg op pagina 2

Herhalen en hameren, dat is de kunst

van de meer compacte verkiezingsprogramma’s van de oogst 2010. De SP mikt linkser dan de PvdA. Flarden als ‘casino-kapitalisme’, ‘uitverkoop van publieke diensten’, ‘leden van het Koninklijk Huis gaan gewoon belasting betalen’, ‘de zorg is geen markt’ zetten de toon.

Bij de partij van Emile Roemer (de naar eigen zeggen nog steeds volstrekt onbekende opvolger van Jan Marijnissen) wordt zonder blijdschap verwezen naar het beginselprogramma van 1999 (Heel de Mens). Daarin ‘waarschuwden wij voor wat nu gebeurd is.’ Alsof men beseft dat dit op 9 juni waarschijnlijk weinig oplevert constateert de SP: ‘Het is niet fijn om achteraf gelijk te krijgen. Nu zegt elke partij dat het nooit zover had mogen komen. […] Het is niet voldoende dat politici spijt betuigen. Politici moeten de wereld niet anders interpreteren, zij moeten de wereld veranderen.’

Zo kennen we onze strijdliteratuur weer. Regeren maakt meestal gematigder. Dat is te zien aan het programma van de ChristenUnie. De partij van Rouvoet heeft net drie jaar getracht de verstandscoalitie van CDA en PvdA draaiend te houden en heeft de smaak van besturen te pakken.

‘Wij zijn aan de slag gegaan en hebben ons laten kennen als een partij met ruggengraat en dienstbare politici. Zo willen wij ons opnieuw inzetten, met hart voor mensen en zorg voor de schepping.’ En explicieter dan het CDA: ‘De ChristenUnie bedrijft politiek bij een open bijbel.’

Wat een verschil met D66, het partij geworden individualisme, in de ogen van christelijke partijen. Maar wacht, wie schrijft dit: ‘Geen mens kan zonder de ander. We hebben elkaar nodig.’ En wie poneert dit: ‘Niemand leeft voor zichzelf; we zijn op elkaar aangewezen.’

De eerste uiting van intermenselijke solidariteit is van D66, de tweede van de ChristenUnie. Tegenpolen, maar wel Nederlandse partijen. Groen Links zegt het anders, maar net als de ChristenUnie met de wil de crisis aan te grijpen als kans om de gewenste wereld dichterbij te brengen: ‘Als iedereen gaat leven als de gemiddelde Nederlander, dan hebben we aan één aardbol niet genoeg.’

Moeten alle verschillen dan komen van de Partij voor de Vrijheid, Geert Wilders’ privé domein? Ja, lezend in het staccato programma van de PVV, proef en hoor je boze burgers die niet meedoen met de bestaande politiek. ‘Noem ons maar ouderwets,’ begint het. ‘Patriotten’ tegen ‘de linkse elites die denken dat de wereld er uit ziet als Woodstock.’ ‘De PVV kiest bij uitstek voor de mensen die het niet cadeau krijgen.’

Volgens Wilders is het tijd om te kiezen. De PVV heeft gekozen. ‘Voor een veilig Nederland waar het tuig wordt opgepakt en uitgezet, en niet gesubsidieerd en geknuffeld.’ Toch, schrijft hij, is ons geluid er een van ‘optimisme’, ‘in het rotsvaste geloof dat de mooiste dagen van Nederland nog voor ons liggen’. ‘Wij zijn gewone burgers die naar Den Haag komen om de vierkante kilometer van het Binnenhof weer onderdeel te laten zijn van Nederland.’

De PVV is uniek omdat het de brug is tussen de mensen die helemaal niet meer meedoen en de meer gebruikelijke Nederlandse politiek, waarin men verschillen benoemt en uitmeet, en terecht, maar iedereen toch pleit voor ‘betrokken’ burgerschap. Voor het CDA is zowel het gezin als het onderwijs het fundament van de samenleving. Maar ook daar is betrokkenheid een hoog ideaal. Daar moet de PVV niets van hebben. Weg met de multiculti’s. Stop de massa-immigratie. ‘Werken of wegwezen.’

Het is niet alleen de volgehouden boosheid en het – ondanks zijn vele dienstjaren in de Tweede Kamer – er niet bij willen horen dat Wilders anders maakt. Het is vooral zijn taalgebruik dat de PVV-leider tot een unieke hoofdrolspeler op het politieke toneel maakt. Jan Kuitenbrouwer schreef daar een leesbare analyse van, De woorden van Wilders & hoe ze werken.

Kuitenbrouwer brengt de verbale successen en excessen van Wilders in herinnering. Hij schetst overtuigend hoe de PVV'er een ‘emo-nopolie’ in het politieke debat heeft gevestigd waarmee hij zakelijker concurrenten op achterstand zet. Aan de hand van de Amerikaanse politieke psycholoog George Lakoff laat hij zien hoe Wilders zijn visie zodanig weet te framen dat hij de verbale slag vaak bij voorbaat heeft gewonnen. Waarom hij aan de oorlog vooralsnog niet toekomt, valt buiten dit vooral taalkundig geïnteresseerde betoog.

Onder het kopje ‘hameren en herhalen’ ontleedt Kuitenbrouwer typische Wilders-toespraken. Voorbeeld, uit een debat in 2007 over Ella Vogelaar: ‘Zij toont daarmee wat mij betreft aan dat zij knettergek is geworden. Zij toont daarmee aan dat zij de Nederlandse cultuur verraadt. Zij toont daarmee aan dat zij niet begrijpt dat veel Nederlanders de islamisering en de islamitische traditie niet willen.’

George W. Bush won de Amerikaanse verkiezingen van 2000 en 2004 mede dankzij een perfecte framing van zijn belangrijkste programmapunten. Door de gekozen termen er eindeloos in te hameren won hij het debat vóór het goed en wel begon, dankzij begrippen als tax relief’ (belastingverlaging als een soort pijnbestrijding), death tax (successiebelasting als een oneerlijke belasting op doodgaan) en healthy forest initiative (het plan dat de houtindustrie toegang gaf tot beschermde wouden).

Zo staan in Wilders’ woordenboek een paar begrippen centraal. Islamisering, bijvoorbeeld. Kuitenbrouwer: ‘Dat is geen autonoom proces, zegt Wilders, maar een samenzwering, een intifada van kolonisten onder leiding van geïnfiltreerde haatimams en heimelijk gesteund door staatssecretarissen met twee paspoorten en de Marokkaanse burgemeester van onze grootste havenstad, bruggenhoofd nummer 1 van het Kalifaat van Multicul.’ Andere Wilders-frames zijn: subsidie (Anatolisch korfballen van uw geld), de elite (allemaal kleffe grachtengordel- vriendjes) en Nederland moet weer worden zoals het is bedoeld.

Wie geen zin heeft al die verheven plannen door te lezen kan ook te rade gaan bij de Verkiezingswijzer, Op welke partij moet ik stemmen? Het boekje is samengesteld door de politieke redactie van deze krant en geeft per partij een beknopt journalistiek leesbaar beeld, gevolgd door een overzichtje van de belangrijkste voorstellen. Ik heb er niets mee te maken gehad en kan het dus naar eer en geweten aanraden.

De verkiezingsprogramma’s zijn te downloaden van de sites van de verschillende partijen. Jan Kuitenbrouwer: De woorden van Wilders. De Bezige Bij, 112 blz. € 9,95. Haagse redactie NRC Handelsblad: Verkiezingswijzer: Op welke partij moet ik stemmen? Met een voorwoord van Joost Oranje en cartoons van Ruben L. Oppenheimer. NRC Boeken, €9,95