'Ik ontzeg anderen hun idee over de waarheid'

Hoe zien schrijvers van geëngageerde (non-)fictie de nieuwe wereld? In een serie lange interviews maakt Bas Heijne een rondgang langs onderzoekende geesten. Als tweede de Britse auteur Graham Robb, biograaf en Frankrijkkenner.

Met zijn twee boeken over Frankrijk (The Discovery of France en het onlangs verschenen Parisians) brak hij door bij het grote publiek. ‘Je kunt patronen in de geschiedenis ontdekken, maar daaronder is iedere situatie weer uniek. Sommige dingen blijven, andere verdwijnen zonder een spoor achter te laten.’

Zelfs de plaatselijke taxichauffeur moet het even navragen. Graham Robb (1958) woont in een gehucht in de omgeving van Oxford, in een klein huis op de kruising van een doodstille landweg. Het regent zachtjes. Een paadje door een piepklein voortuintje leidt naar een voordeur waar een enorme rozenstruik voor hangt. Wanneer ik een tijdje hulpeloos heb staan kloppen, verschijnt Robb ineens achter mij. Dat is een blinde deur, zegt hij verontschuldigend, hij had me moeten waarschuwen. De echte ingang is aan de zijkant.

Niets in Robbs huis doet aan Frankrijk denken, het grote onderwerp van zijn werk. Op het eerste gezicht is hijzelf in alles de Britse academicus van het verlegen soort, een lange, dunne man met een zachte stem en een aarzelende manier van spreken. Maar die indruk is bedrieglijk. In de keuken van het onverwacht ruime huis hangt een landkaart van Frankrijk aan de muur, vol zorgvuldig met Tippex aangebrachte lijntjes. Dat zijn de Franse wegen die Robb samen met zijn vrouw de afgelopen zomers per fiets heeft bereisd. Het zijn er ontelbaar veel. De kaart is bedekt met een spinneweb van witte lijntjes, dat zich uitstrekt tot over de bergen van de Pyreneeën en die van de Franse Alpen. „Ook hier thuis doen we alles op de fiets”, zegt Robb. Een auto hebben ze niet.

Ook zijn werk is een stuk eigenzinniger dan het op het eerste gezicht lijkt. Het past bepaald niet in de traditie van door Engelsen geschreven boeken over Frankrijk. Zijn laatste twee boeken, The Discovery of France en het onlangs verschenen Parisians hebben niets te maken met de superieure toon van zoveel populaire Angelsaksische werkjes over hun favoriete vakantieland. Robb: „Als je in Engeland over Frankrijk schrijft, sta je al gauw bekend als francofiel. Mijn boeken worden ook door francofielen gekocht. Wanneer je hen ontmoet, zeggen ze altijd op een samenzweerderige toon, alsof ze de eersten zijn: ‘Frankrijk is een mooi land, alleen jammer dat er Fransen wonen.’ De Fransen zijn zus, de Fransen zijn zo. Als ik dan zeg dat het juist mijn bedoeling is in mijn boeken te laten zien dat je dat niet kunt zeggen, en dat Frankrijk en de Fransen als zodanig nooit hebben bestaan, verliezen ze meteen hun belangstelling.’’

Het is ook even wennen: een in Engeland geboren Schot die Frans studeerde in Amerika en begon als onopvallend academicus, maar toen originele biografieën schreef over grote Franse schrijvers als Honoré de Balzac, Victor Hugo en Arthur Rimbaud. Daarna volgde een al even oorspronkelijke studie over homoseksuelen in de 19de eeuw. De afgelopen jaren brak Robb door bij een groot publiek met twee boeken die als biografieën van Frankrijk zelf kunnen gelden, waarin opnieuw tal van geaccepteerde noties over geschiedenis en landsaard op hun kop worden gezet.

U lijkt in uw boeken steeds meer uw eigen vorm te vinden. Uw biografie van Balzac was nog tamelijk traditioneel, in uw boek over Parijs vertelt u de geschiedenis van de stad aan de hand van losse, verrassende verhalen over beroemde bewoners en bezoekers.

„Wat me beviel aan het genre van de biografie was dat je er eigenlijk in kan stoppen wat je wilt. Je kunt helemaal je eigen gang gaan. Maar op een gegeven moment had ik de revolutie van 1848 en het verhaal van de Commune al twee keer beschreven en was ik bang dat het allemaal een beetje hetzelfde zou gaan klinken. Ik zag mezelf ook niet als biograaf. Heb je in Engeland een biografie geschreven, dan word je het biografenwereldje ingetrokken. Ze hebben zelfs een club waarin ze op avondjes over het genre discussiëren. Dat is niets voor mij. In Engeland bestaat het idee dat mensen als Michael Holroyd en Richard Holmes het genre opnieuw hebben uitgevonden. Het zijn beiden goede schrijvers, maar hun boeken zijn al met al toch behoorlijk conventioneel, ze laten alleen hun persoonlijke betrokkenheid met hun onderwerp meer zien.’’

U bent begonnen als academicus en vertaler. Heeft het u moeite gekost uw talent als schrijver te ontdekken?

„Ik heb mezelf heel lang niet als schrijver gezien. Na mijn biografie over Victor Hugo werd ik uitgenodigd op een literair festival, ter vervanging van Don DeLillo, die had afgezegd. Te midden van al die schrijvers die over literatuur praatten, drong het langzaam tot me door dat ik een van hen was. Tot dan toe dacht ik dat een boek van mij alleen het lezen waard was wanneer er iets in stond dat nog niet bekend was of dat tot dan toe over het hoofd was gezien. Dat was ook de reden dat ik aan mijn boek Rimbaud begon. Mijn stijl was niet belangrijk, kon ik mezelf wijsmaken, het ging tenslotte om de nieuwe informatie waar ik mee naar buiten kwam. Achteraf ziet dat er verdacht veel uit als gebrek aan zelfvertrouwen. Dat veranderde toen ik over Rimbaud schreef. Balzac en Hugo waren professionele schrijvers, Rimbauds leven heeft een heel ander patroon. Er is een periode van tien jaar in zijn leven waarover maar heel weinig bekend is. Dat vroeg om verbeeldingskracht van de biograaf, een andere manier dan rechttoe rechtaan vertellen wat er gebeurde. Ik merkte dat ik dat opwindend vond.’’

Veel van wat u schrijft, gaat in tegen geaccepteerde noties. In ‘The Discovery of France’ bijvoorbeeld schetst u een beeld van Frankrijk als een woest land zonder veel culturele samenhang, een beeld dat in weinig lijkt op de officiële versie.

„Je zou dat een onverwacht neveneffect van mijn gebrek aan zelfvertrouwen kunnen noemen. Omdat ik nergens zelfverzekerd over durf te zijn, ontzeg ik anderen hun geriefelijke ideeën over de waarheid. Het is ook de reden dat ik geen academicus ben geworden. Als je je hele leven over hetzelfde onderwerp doceert, moet je wel op een pedante manier in je eigen sleetse verhaal gaan geloven. Dat verklaart bijvoorbeeld de gruwelijke discrepantie tussen de manier waarop het werk van Rimbaud aan de universiteit wordt behandeld en de gedichten zelf. Het is ook gewoon saai om altijd maar aan je eigen versie van de waarheid vast te houden. Toen mijn Amerikaanse uitgever het manuscript van Parisians had gelezen, zei hij, prachtig, maar gaan mensen dit ook allemaal geloven? Hij dacht dat ik een boek met ‘waar of niet waar’- verhalen over de stad had geschreven. Maar ik probeer alleen maar op een andere manier te kijken. Ik geloof oprecht dat als je maar lang genoeg naar een bepaald detail kijkt, er zich vanzelf een verrassende, onbekende werkelijkheid openbaart.’’

Maar waarom heeft die onbekende werkelijkheid altijd met Frankrijk te maken?

„Ik heb nooit met Frankrijk gedweept. Tussen mijn school en de universiteit trok ik naar Parijs waar ik, in navolging van George Orwell, aan de slag probeerde te komen als een veredelde bordenwasser, een zogenaamde plongeur. Ik herinner me nog dat de eigenaresse van een restaurant in de buurt van het station St. Lazare me vroeg of ik ervaring met het beroep had. Ik realiseerde me helemaal niet dat het een beroep was. Daarna probeerde ik het als nachtportier, maar daar was ik veel te iel voor. Uiteindelijk belandde ik bij een garage waar ik vrachtwagens moest wassen. Een Arabische jongen met wie ik daar bevriend raakte, heeft me een Parijs leren kennen waartegen geen romantische dweepzucht bestand was.

,,Eerlijk gezegd, voor mij is Frankrijk de plek waar ik me een vreemdeling kan voelen. Wanneer Fransen tegen mij zeggen dat ik perfect Frans spreek, dan bedoelen ze dat ik niet een van hen ben, want geen Fransman spreekt het formele, academische Frans dat ik aan de universiteit heb geleerd. Ik zou nooit een boek over Engeland kunnen schrijven, omdat ik eenvoudig te bevooroordeeld ben. Ik weet wel dat men er vanuit gaat dat je meer weet over je eigen land, maar voor mij betekent het juist dat je voor heel veel dingen blind bent, juist omdat ze voor jou vanzelf spreken.’’

In ‘The Discovery of France’ vertelt u het verhaal van het Franse platteland. In ‘Parisians’ vertelt u de geschiedenis van de stad aan de hand van onvoorspelbare verhalen over onder anderen Marie Antoinette, de vrouw van Zola, baron Haussmann, Hitler, Sartre, De Gaulle, Mitterrand en Sarkozy. Waarom heeft u voor die gewaagde vorm gekozen?

,,Aanvankelijk vond ik het te gewild. Ik kwam erop omdat ik heel wat boeken over de geschiedenis van Parijs had gelezen waar ik me eigenlijk nooit veel van herinnerde, vooral niet wanneer ik in Parijs zelf was. Maar ik had het idee eigenlijk al terzijde geschoven. Toen schreef ik het verhaal over Henri Murger, de armlastige schrijver die zijn eigen leven als stof voor de bestseller Scènes de la vie de bohème gebruikte, en ontdekte dat als je de informatie op een natuurlijke manier uit het verhaal liet voortkomen, het helemaal niet kunstmatig hoefde te zijn. Om te beginnen moeten het natuurlijk boeiende verhalen zijn. Op die manier onthoud je als lezer bepaalde feiten ook veel makkelijker. En natuurlijk is het een stuk leuker dan een traditionele geschiedenis. ‘’

Een van de redenen dat Frankrijk u zo aantrekt, zou kunnen zijn dat zoveel in dat land schuilgaat achter een formele façade.

„Er zijn daar allerlei hiërarchieën die je pas opmerkt wanneer je er langer verblijft. Toen ik mijn Amerikaanse vrouw had leren kennen, werkte ik een tijdje aan de universiteit van Rouen. Daar werd op de studenten gepast door medestudenten, dat waren allemaal vrienden van elkaar. Maar tijdens een feestje hoorde ik dat ze door hun leeftijdsgenoten werden aangesproken met messieurs. Ik kon dat niet geloven. Die formeel strak georganiseerde maatschappij verklaart ook wel die hevige uitbarstingen in de Franse geschiedenis. Honderd jaar kabbelt alles ogenschijnlijk gerieflijk voort en dan opeens is er een bloedbad. Niet alleen in Parijs, maar ook in de kleinste provincieplaatsen.’’

Als lezer van uw boeken ontdek je ook uw mensbeeld. Mensen zijn voor u altijd een beetje absurd, ze banen zich vervuld van eigenaardige idealen en opvattingen een weg door het leven, maar u bekijkt hen met ironische empathie.

„Ik denk dat het gemakkelijker is om over mensen te schrijven die dood zijn, omdat je je dan niet langer verantwoordelijk voor hen hoeft te voelen. Natuurlijk zijn er onderliggende morele principes waar je je aan te houden hebt, je moet je aan de historische feiten houden, enzovoort. Maar wat ik bedoel, is dat alle dingen die het dagelijkse leven zo vermoeiend maken, geen rol meer spelen – verlegenheid, verantwoordelijkheidsgevoel, misverstand. En natuurlijk de onmogelijkheid om een ander werkelijk te zien, omdat je alleen jezelf in hen weerspiegeld ziet. Daar ben je allemaal van bevrijd, wanneer je je over mensen buigt die er niet meer zijn.’’

Afstand is voor u een voorwaarde voor het schrijven?

„Wanneer je schrijft, breng je onherroepelijk veel tijd alleen door. Maar ik denk dat hetzelfde geldt voor mensen die boeken lezen, die genieten van die licht afstandelijke blik op het menselijk bestaan. Ik neem aan dat er mensen zijn die zo interessant zijn dat ze zelfs voor zichzelf interessant zijn. Maar veel mensen zullen net als ik het fijn vinden om tijdelijk verlost te zijn van hun eigen betrokkenheid. Het is prettig als je jezelf er buiten kunt laten.’’

Loopt u dan niet het gevaar onverschillig te worden? In een van de hoofdstukken van ‘Parisians’ plaatst u de opstand in de Parijse banlieues in de context van de ambivalente gevoelens die men door de geschiedenis heen jegens de voorsteden heeft gekoesterd. Dat is fascinerend, maar het kan ook als uitnodiging worden beschouwd om er dan maar je schouders over op te halen. Alles is al een keer eerder gebeurd, de mens blijft altijd dezelfde.

„Maar juist door je te concentreren op details laat je zien dat alles ook steeds weer anders is. Sarkozy past in een lange traditie van Franse machthebbers die het een goede zaak vinden om bepaalde zaken voor het publiek geheim te houden. Daarin lijkt hij op Mitterrand en De Gaulle. Maar zijn geschiedenis is ook weer anders. En de migranten die nu de voorsteden bevolken, zijn daar op een heel andere manier terechtgekomen dan hun voorgangers in andere tijden.

„Je kunt patronen in de geschiedenis ontdekken, maar daaronder is iedere situatie weer uniek. Sommige dingen blijven, andere verdwijnen zonder een spoor achter te laten. Op het Franse platteland vind je namen die eeuwen ongewijzigd zijn gebleven, in Parijs zijn talloze benamingen razendsnel vervangen door andere. Er is zelfs een eiland in de Seine, het Île Merdeuse, het zogenaamde poepeiland, dat spoorloos verdwenen is. Het wordt vermeld in een paar bronnen, maar niemand weet waar het gebleven is.’’

Graham Robb: Parisians: An Adventure History of Paris. Picador, 320 blz. € 28,95