Hoofdrolspelers Landis blijven weg

De top van Landis voerde wanbeleid op alle fronten, bleek vorig jaar uit onderzoek in opdracht van de Ondernemingskamer. Nu sprak de verdediging.

Daar waren ze dan. Na zeven jaar getouwtrek over het failliete automatiseringsconcern Landis, was het gisteren de beurt aan de advocaten om aan de Ondernemingskamer uit te leggen waar het was mis gegaan. En vooral: wiens schuld dat was.

Maar de vraag of er nu sprake was van wanbeleid en of de keuzes van de Landis-top destijds wel verantwoord waren geweest, bleek al gauw ondergeschikt aan een veel prangender vraag: wie kon wie betrappen op de grootste leugen?

Het Amsterdamse hof veranderde tijdens de zeven uur durende zitting in een strijdtoneel. De dames en heren in toga hadden elkaar de afgelopen jaren zo getergd dat hen eerst het een en ander van het hart moest, voordat het (wan)beleid ter sprake kon komen.

Want wat was er gebeurd? Landis ging in juli 2002 failliet. De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) vermoedde wanbeleid en verzocht de Ondernemingskamer in oktober 2003 een onderzoek te starten. Leendert van den Blink werd als onderzoeker benoemd, maar de curatoren van het failliete concern, Willem Jan van Andel en Hendrik Dulack, weigerden hem te betalen. Zij deden hun eigen onderzoek en zagen niets in een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer. De VEB probeerde de curatoren tot aan de Hoge Raad op andere ideeën te brengen, maar het leverde niets op. Er was wel een onderzoeker, maar er was geen geld om onderzoek te doen.

Totdat de curatoren in 2008 van gedachten veranderden. Na een gesprek met de VEB werd een tweede onderzoeker benoemd, Lou Traas. De curatoren betaalden (voorlopig) de rekening. In mei vorig jaar presenteerden de onderzoekers hun bevindingen. Hun oordeel over de bestuurders en commissarissen van Landis was vernietigend. Wanbeleid, in alle opzichten.

Ook hun advocaten kwamen er slecht vanaf. Zij weigerden volgens de onderzoekers mee te werken aan het onderzoek, hadden de onderzoekers van partijdigheid beschuldigd en hadden voortdurend geklaagd over de toegang tot het archief. Dat archief was juist een wezenlijk punt voor de voormalige Landis-top, omdat zij daarin bewijs dachten te vinden van hun weloverwogen besluitvorming bij iedere overname die het bedrijf deed. Maar waar waren die documenten ineens gebleven? Partijen kwamen er niet uit.

Inmiddels was de accountant van Landis, Ernst & Young, al geschorst in een tuchtprocedure en hadden de curatoren de bestuurders en commissarissen van Landis gedagvaard voor de civiele rechter. Maar nu waren partijen dan eindelijk ook zo ver dat de zaak inhoudelijk kon worden behandeld door de Ondernemingskamer.

De échte hoofdrolspelers kwamen niet opdagen. Topman Paul Kuiken, financiële man John Bus en president-commissaris Cees de la Haye voerden geen verweer tegen de beschuldigingen van de VEB, de curatoren en de onderzoekers. „Waarschijnlijk om de aandacht van hen af te leiden”, gokte VEB-voorzitter Jan Maarten Slagter. „Of ze hebben er gewoon niets tegen in te brengen.”

Landis-commissaris en voormalig D66-senator Adrienne Vrisekoop was er wel. De pijlen van de VEB en de curatoren richtten zich dan ook voornamelijk op haar. Zij legde uit hoe binnen Landis iedere geplande overname nauwkeurig werd besproken. Hoe anders het was tijdens de internethype in 2000, hoe soms rustig een veelvoud van de winst voor een onderneming werd betaald, maar ook hoe weloverwogen de beslissingen werden genomen aan de hand van financiële presentaties en reële toekomstverwachtingen.

De curatoren geloofden er niets van. „Het zijn spookverhalen”, zei hun advocaat, Martin Brink. „Die zogenaamde presentaties bestaan niet, anders hadden we ze wel gevonden.” Hij benadrukte dat er geen documenten waren verdwenen en dat de bestuurders en commissarissen van Landis toegang hadden gehad tot het hele archief. Het was een rookgordijn, dat bewust werd opgeworpen om te verhullen dat Landis onverantwoorde overnames had gedaan voor veel te veel geld, zonder van tevoren goed te onderzoeken of die ook haalbaar waren. Er was geen duidelijke strategie, de administratie was een bende en de beleggers werd een hogere winst voorgespiegeld dan reëel was. „Landis had zó hard willen lopen dat het over de eigen benen was gestruikeld”, besloot VEB-advocaat Jurjen Lemstra.

Hans Londonck Sluijk, advocaat van Vrisekoop, maar ook van de andere bestuurders en commissarissen in de civiele procedure, schetste een heel ander beeld. Hij zag in Landis niet het megalomane vriendenclubje van Paul Kuiken, maar een jonge innovatieve onderneming. Een bedrijf dat echt iets wilde neerzetten en daarbij de risico’s moest nemen die nu eenmaal bij ondernemen horen. „Natuurlijk, er is scherp aan de wind gevaren”, erkende Londonck Sluijk. Landis was een bedrijf waar je instapte om hoge rendementen te halen. „Maar Landis heeft ook de pech gehad dat het daar wel net mis ging en bij bedrijven als KPN en Getronics net niet.”

Als er niet zoveel stukken waren weggegooid of computerservers meteen na het faillissement waren verkocht, betoogde hij, was het een stuk eenvoudiger geweest om dit te bewijzen. Dat zoveel jaar later nog maar een fractie van de stukken was terug te vinden, was volgens de advocaat te wijten aan curatoren. Zij hadden immers steeds geweigerd het onderzoek te betalen.

En er was nog iets wat hem dwars zat. Iets wat niet leuk was om te horen, maar wel gezegd moest worden voordat de Ondernemingskamer over een paar maanden een oordeel zou vellen. De inmiddels ingedommelde curator Dulack opende zijn ogen.

Niet alleen waren de onderzoekers partijdig, nu curatoren na een onderonsje ineens de kosten waren gaan betalen, maar het had ook alle schijn van een old boys network, zei Londonck Sluijk. Letterlijk – de onderzoekers waren achterin de zeventig en begin tachtig – maar ook figuurlijk. De frons van voorzitter Ingelse negerend, vervolgde hij dat de toenmalige voorzitter Huub Willems de onderzoekers een aardig baantje had toegespeeld. „300.000 euro voor een half jaar fulltime werk”, concludeerde hij. „Niet slecht voor een rustig bijbaantje dat de onderzoekers tussen de vakanties door hebben kunnen doen.”