Homo sapiens is een hooligan

De ‘Val van Prometheus’, het nieuwe boek van cultuurfilosoof Ton Lemaire, laat zich lezen als de Goldbergvariaties op het thema ondergang. Jammer van de morele repeteerwekker die daarmee gepaard gaat.

Ton Lemaire: De val van Prometheus. Over de keerzijden van de vooruitgang. Ambo, 375 blz. € 24,95

Groei staat haaks op de eindige ruimte van onze planeet. Niets ingewikkelds aan, een kind kan het bedenken. Voedsel- energie- en financiële crisis lijken erop te wijzen dat de systemen waaruit wij onze wereld hebben gebouwd in hun voegen kraken, maar middenin een recessie eens even uitgebreid het principe van economische groei ter discussie stellen is zoiets als ketterij.

Heeft milieufilosoof Ton Lemaire dus gelijk, als hij stelt dat de vernauwing van de vooruitgangsgedachte tot economische groei alles weg heeft van een ‘surrogaatreligie met eigen idolen, dogma’s en taboes’? Dat kan heel goed, maar het vervelende is dat het een beperkt en vrijblijvend gelijk is. Misschien heeft dat met de opzet van dit boek te maken. De ondertitel, ‘over de keerzijden van de vooruitgang’, dekt de lading uitstekend. De val van Prometheus is een breed opgezette ontmaskering van de vooruitgangsgedachte en de fatale consumptiecultuur waarin die resulteerde, maar helaas tevens een uitputtende klaagzang over alles wat er niet deugt aan het moderne leven. Lemaire houdt ervan een zaak van alle kanten te bekijken en hij ontvouwt voor de lezer een Panorama Mesdag van cultuurpessimisme, verschrikkingen, stenen des aanstoots en ergernissen. Van reclame tot de voedingsindustrie, van topsport tot de auto.

De 74 korte hoofdstukken laten zich lezen als de Goldbergvariaties op het thema ondergang, in ecologische, culturele en morele zin. Toch zitten er wel degelijk fijnzinnige beschouwingen (zoals over oude dingen) en een zinnige cultuurkritiek in verborgen. De geschiedenis van de moderniteit volgens Lemaire is een proces van reductie, uitmondend in een tunnelvisie: blinde groei als hoogste goed. Polytheïsme versmalde tot monotheïsme, waarin één god de mens het rentmeesterschap over de aarde toekende. De onttovering van de wereld door de wetenschap stelde de ‘reducerende ratio’ boven meer intuïtieve vormen van inzicht, wijsheid en ervaring. Het neoliberale dogma vermagerde de mens tot homo economicus.

Opwaarts en voorwaarts

De Verlichting vestigde tevens de aandacht op het heden en de toekomst, ten koste van de gedachte dat de mens maar een schakeltje is in een groter geheel. Ook dit ‘actualisme’ zorgt voor de hubris, de overmoed, die de moderne mens kenmerkt.

De aanname dat de wereld onze speeltuin is, dat de geschiedenis steeds opwaarts en voorwaarts gaat, maakt ons blind voor onze verblinding: het feit dat iedere progressie tevens een regressie inhoudt, elke verbetering ook een verslechtering. Homo sapiens destruens, noemt Lemaire onze soort met een mooi oxymoron, de wetende vernietiger. Juist deze tragische dimensie van de geschiedenis, die tot voorzichtigheid maant en de aandacht vestigt op onbedoelde gevolgen, heeft de mens uit het oog verloren, met als resultaat klimaatverandering, vervuiling, ontbossing, overbevissing en verlies van biodiversiteit. Om het in Lemaires woorden samen te vatten: we zijn bezig collectief zelfmoord te plegen.

Zeker, er was sprake van een enorme welvaartsstijging en een emancipatie van het individu. Maar de gedachte dat de westerse mens nu in vrijheid leeft is volgens Lemaire een vergissing. De consumptiecultuur schept voortdurend nieuwe behoeftes waaraan alleen de sterksten weerstand kunnen bieden. ‘Een behoefte (wordt) door haar te bevredigen niet opgeheven, maar juist als behoefte bevéstigd,’ schrijft Lemaire. Een goed motto om bij het winkelen in gedachten te houden.

Al staat het op het omslag, door deze fixatie op de negatieve kanten van vooruitgang treedt in het boek een vertekening op. Bij Lemaires nadruk op de kracht en schoonheid van de natuur, waaraan de mens zich ondergeschikt moet maken om te kunnen overleven, zou je bijna vergeten dat de huidige wereld mede het resultaat is van het menselijk streven zich tegen de wreedheid van diezelfde natuur te beschermen. Pas de laatste decennia blijkt steeds duidelijker hoezeer we het slachtoffer zijn van ons eigen succes, en hoezeer we het kind met het badwater dreigen weg te gooien.

Lemaire pleit daarom voor krimp, of in elk geval voor maat houden, ‘het rigoureus kiezen voor minder productie en consumptie, het loslaten van de economische groei, een sterke vermindering van de energiebehoefte, een afname van mobiliteit’. Hij ziet voor zich hoe ‘de aarde als ecosysteem grens en norm zou zijn van een menselijke economie’. ‘Vrijwillige eenvoud zou in de plaats zijn gekomen van ongebreideld consumentisme.’ Dit alles ‘gefundeerd en bekroond door een gematigd humanisme, waarin de mens zijn of haar arrogantie tegenover dieren en de andere natuur heeft overwonnen, in een aardse spiritualiteit die duidelijk boeddhistische trekken zou vertonen.’

Lemaire geeft gelukkig wel meteen toe dat hij hier de ene utopie voor de andere verruilt. Maar ‘een zeker utopisch bewustzijn’ zegt hij, is noodzakelijk om het bestaande model ter discussie te stellen.

Misschien. Toch lijkt ook hij het kind met het badwater weg te gooien door alleen vermindering of onthouding van groei, en niet verfijning of transformatie ervan, te accepteren als uitweg uit de impasse. Tekenend is dat hij verduurzaming afwijst, omdat dit het principe van groei onvoldoende ter discussie zou stellen. Als legitieme ‘dissidenties’ ziet hij wel de milieubeweging, de beweging van kleine boeren, oervolkeren en de ngo’s die hen vertegenwoordigen en aanhangers van New-Age en andere spirituelen. Transitiedenkers, die bijvoorbeeld bestuderen hoe productieketens CO2-neutrale cirkels kunnen worden (zie inzet), komen niet ter sprake, wellicht omdat zij in Lemaires ogen deel uitmaken van het WTK-complex. Dit is het ‘wetenschappelijk-technologisch-kapitalistisch’ complex dat de huidige wereld op zijn geweten heeft. In zijn categorische afwijzing hiervan schiet Lemaire veel te ver door. Behalve veel te veel auto’s en chemicaliën komen hier toch ook zonnepanelen en windmolens uit voort, om van penicilline en de pil nog maar te zwijgen. Daarnaast is de huidige wereld niet het gevolg van een complot, maar van een combinatie van historische factoren, hoogstens gekweld door een uit het lood geslagen machtsbalans.

Soberheid

De val van Prometheus is typisch een boek van nu. Met zijn anti-utopisme raakt het aan het werk van John Gray, in ecologie aan dat van James Lovelock. Het verbreden van het welvaartsbegrip en het afwijzen van het principe van reductie is helemaal de tijdgeest; in allerlei debatten – voedsel, economie, energie – liggen de monoculturen van de afgelopen decennia onder vuur en doemen multidisciplinaire, meer diverse en lokale benaderingen op. Lemaires filosofie van de soberheid zal niet iedereen aanspreken, maar is in tijden van hedonisme een weldadig aandoende mengeling van calvinisme, boeddhisme, bezonkenheid en intellectualisme.

Wat stoort aan De val van Prometheus is de morele repeteerwekker die daarmee gepaard gaat. Teleurstellend is het ontbreken van een andere strategie dan die van terugtrekking. Vrijwillige soberheid, en leven met de natuur als de logische begrenzing zullen veel mensen als een negatieve prikkel ervaren, terwijl juist positieve prikkels leiden tot gedragsverandering. Het is bovendien eenvoudiger als schrijver op het vruchtbare Franse platteland dan als, zeg, accountmanager met kleine kinderen die dagelijks van Hoofddorp naar Eindhoven forenst.

Dat de wereld aan beteugeling of tenminste verfijning van het logge, in wezen primitieve groeimechanisme op termijn niet zal ontkomen, staat buiten kijf. Jammer daarom dat iemand als Lemaire zijn eigen levenshouding naar voren schuift in plaats van verder te zoeken naar een nieuwe ethiek van begrenzing. Meer is allang niet meer beter, want zelfs genoeg is al te veel. Hoe ‘minder’ voor te stellen als het grootste goed? Hoe begrenzing te rijmen met vrijheid? Hier ligt een terrein braak waarop Lemaire slechts enige aarzelende passen zet.