Het verleden als als rare-dingen-parade

Het boek is in feite een Britse geschiedenis, met het accent op de 19de eeuw.

Zijn oude Victoriaanse pastorie is het uitgangspunt.

Op een ochtend in 1920 raakte de tiende hertog van Marlborough, logerend bij zijn dochter, in paniek: tijdens het tandenpoetsen ontstond niet het gebruikelijke schuim. Zijn knecht was niet meegekomen op deze logeerpartij en die bracht elke ochtend tandpasta op de borstel aan. Dat wist de hertog niet. Zijn leven lang had hij gedacht dat het witte goedje vanzelf op die borstel groeide. In diezelfde tijd verbaasden opzieners van de poeliersmarkt in Greenwich Village, New York, zich erover dat ratten eieren stalen zonder ze te breken. Bij een nachtelijke controle ontdekte men dat er telkens een rat op tafel sprong, met zijn bek een ei pakte, dat zorgvuldig op zijn buik legde, zich tot een bolletje omvouwde en door een makker met ei en al aan zijn staart naar hun nest liet slepen, waarna de aanval op het volgende ei begon.

Dit zijn twee anekdotes uit Bill Brysons Een huis vol, het nieuwe boek van de auteur van Een kleine geschiedenis van bijna alles, de bestseller uit 2003. De eerste anekdote gebruikt Bryson als metafoor voor de Britse standenmaatschappij, de tweede om de onhygiënische situatie in vroeger eeuwen te verduidelijken.

Bryson is een Amerikaan die zich na een journalistieke carrière bij verscheidene kranten, met zijn gezin in een dorp in Norfolk vestigde. Hij woont daar in een oude Victoriaanse pastorie en dat huis is het uitgangspunt van zijn boek geworden. Zoals hij in Een kleine geschiedenis van bijna alles zijn verbazing uitte over zijn gebrek aan kennis over bijna alles, zo vertelt hij ons in dit boek hoe weinig hij wist over de dagelijkse spullen om hem heen. Als je Bill Bryson heet, schrijf je daar een boek over: ‘a history of the world without leaving home’.

Op het eerste gezicht zit het boek logisch in elkaar. De hoofdstukken volgen de indeling van het huis, dat uit 1851 dateert, een jaar na de grote Wereldtentoonstelling in Londen, waar het hypermoderne Crystal Palace het symbool van is geworden. Om die twee gebouwen draait het boek ook min of meer: enerzijds een afgelegen pastorie gebouwd voor de vergeten vicar Thomas Marsham, waar alles doodgewoon is, voor wie erin leefde en leeft: stoelen, tafels, licht, water. Anderzijds de Wereldtentoonstelling waar alle landen pronkten met hun nieuwste vindingen. Het hele boek door vertelt Bryson ons dan ook waar en wanneer de behandelde voorwerpen en gewoontes uit het dagelijks leven zijn ontstaan: de genese van het gewone.

Maar na een paar hoofdstukken begint er bij de lezer toch iets te knagen. Welk private life beschrijft Bryson eigenlijk? In de inleiding neemt hij ons mee naar de prehistorische mens, met zevenmijlslaarzen doorlopen we de Romeinse tijd, van de Middeleeuwen springen we naar de Victoriaanse eeuw van Crystal Palace en de oude pastorie. Soms lijkt het boek een beknopte architectuurgeschiedenis, dan weer een geschiedenis van het sociale leven en heel vaak is het ook de ontwikkeling van het voedselpatroon. Dat hangt natuurlijk allemaal wel samen, maar ik geloof dat Bryson hier toch te veel hooi op zijn vork heeft genomen. Of te weinig. Want in feite is het een Britse geschiedenis en in iets mindere mate een Amerikaanse geschiedenis en wel een met het accent op de 19de eeuw en dan nog weer met een disproportionele aandacht voor de upper class. In die zin is de titel misleidend. Een kleine geschiedenis van bijna alles maakte zijn titel waar omdat dit boek over universele onderwerpen handelt. De oerknal mogen we gerust universeel noemen, evenals de zwaartekracht, het atoom en de cel. Maar de ontwikkeling van het huis verliep toch anders in Zuid-Spanje of in Holland dan in Midden-Engeland, om over eetgewoontes maar te zwijgen. De diversiteit in klimaat, bouwmaterialen, brandstof, vruchten des velds en veestapel maken het vrijwel onmogelijk daar een wereldgeschiedenis van te maken. De enige gemeenschappelijkheid is dat de mens altijd heeft geprobeerd, zoals Bryson vertelt, om zijn dagelijks leven comfortabeler te maken.

Bryson heeft er flink wat op nageslagen, maar ik heb de indruk dat hij met een reusachtige verzameling feiten en feitjes heeft gezeten en alleen nog maar een ordenend principe moest vinden. Dat werd zijn huis: het was alleen de kunst om al die feitjes logisch over de afzonderlijke vertrekken te distribueren. Dat is niet altijd gelukt. Dat komt ten eerste doordat Bryson in zijn vertelzucht van geen ophouden weet en in tijd en ruimte uitwaaiert en ten tweede omdat die distributie iets willekeurigs heeft.

Wanneer Bryson de eetkamer behandelt, komt hij te spreken over het olie- en azijnstelletje en de peper- en zoutvaten. Waarna het nog maar een stap is naar zoutwinning en de specerijenhandel. Vandaar belanden we al gauw bij de ontdekkingsreizen, bij Columbus en Magelhaen, scheurbuik en bij de East Indian Company en het Brits imperium. Evenzo reizen we via de suikerpot naar de West-Indische plantages met slavernij en al. Wanneer hij de rijkdom van krantentycoons en oliebaronnen beschrijft in het hoofdstuk ‘The Plum Room’, dan krijgen we een college over stucwerk, neoclassicisme, Palladiaanse villa’s, Vicenza en Palladio zelf.

In het hoofdstuk over de kelder leren we van alles over baksteen, gietijzer, staal en beton. Bij de behandeling van de gang krijgen we een uiteenzetting over de Eiffeltoren. Vaak bekruipt je het gevoel dat Bryson in zijn enthousiasme vergeten is waar het boek ook al weer over moest gaan.

En dan is er de distributie der weetjes. Bij de studeerkamer verwacht je een uiteenzetting over het boek, de boekenkast of de leesbril, het leeslint en het ezelsoor, maar niets daarvan. We krijgen van alles te weten over ongedierte dat zich in tapijt, gordijn, in kussens en matrassen en onder de vloeren bevindt. Microben, insecten, ratten en muizen. (James Henry Atkinson uit Leeds vond in 1897 de muizenval uit en verkocht het patent voor 1.000 pond). Dan is het nog maar een stap naar nare ziekten met als moordend dieptepunt de pest.

Wie de hoofdstukken ‘Bedroom’ en ‘Bathroom’ gelezen heeft, is direct genezen van zijn verlangen om ooit nog in de tijdmachine te stappen. Hier is Bryson in zijn element. Over hygiëne, toiletten en riolen of liever gezegd het ontbreken daarvan weet hij even plastisch als huiveringwekkend te schrijven, om maar te zwijgen van de alom aanwezige vlooien, luizen en bedwantsen of van de pokken, de mazelen, de cholera en de machteloosheid van de medische stand.

Aan de ene kant geeft Bryson dus veel te veel en wordt hij niet geremd in zijn uitweidingen, aan de andere kant heeft zijn keuze iets willekeurigs. En mis je ‘everyday’-zaken zoals linoleum, de stofzuiger, de vulpen, de fiets, de lift en de botervloot om maar eens dicht bij mijn huis te blijven.

Het boek bevat veel feiten, waarbij Bryson een voorkeur heeft voor aansprekende anekdotes, die hij ontegenzeggelijk soepel aan elkaar smeedt. De uitvinders en ontdekkers, architecten, tuin- en meubelontwerpers mag hij graag neerzetten als excentriekelingen. Vrijwel allen behoorden, als je Bryson mag geloven, tot het gilde der halve garen, geniale outcasts, dronkelappen, creatieve autisten. En doorgaans stierven ze arm en vergeten. Wie van sappige verhalen houdt en bevestigd wil worden in zijn idee dat het verleden een grote spetterende sequentie van wonderbaarlijke gebeurtenissen en kleurrijke figuren was, kan aan dit boek zijn hart ophalen.

Bekijk een animatie van eerder werk van Bill Bryson via nrcnext.nl/links.

Bill Bryson: Een huis vol. Een kleine geschiedenis van het dagelijks leven. Vert. Inge Kok en Peter Diderich. Atlas, 512 blz. € 24,90